Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
18/5654 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek om herziening van uitspraak van de Raad waarbij het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Geschil tussen partijen was met een vaststellingsovereenkomst beëindigd; verzoeker had geen belang meer bij oordeel hoger beroep. Geen nieuwe feiten die herziening rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/454
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5654 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 29 september 2020

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 24 oktober 2017, 15/8424 en 16/1695 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad (college)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling zijn – voor zover hier van belang – de bevoegdheden van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Optimisd (Optimisd) met ingang van 1 januari 2017 overgedragen aan het college. In deze uitspraak wordt onder het college tevens verstaan Optimisd.

Verzoeker heeft bij brief van 22 oktober 2018 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 24 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3644 en om vergoeding van schade.

Het college heeft een reactie ingediend.

Verzoeker heeft desgevraagd de gronden van zijn verzoek in het licht van de vereisten van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepreciseerd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 6 juli 2020. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Königs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 23 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 juli 2015, heeft het college de aanvraag van verzoeker van 13 november 2014, om bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), afgewezen.

1.2.

Bij uitspraak van 27 november 2015, 15/2325, heeft de rechtbank Oost-Brabant het beroep tegen het besluit van 31 juli 2015, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen.

1.3.

Ter uitvoering van de uitspraak van 27 november 2015 heeft het college bij nader besluit van 4 maart 2016 de aanvraag van verzoeker opnieuw afgewezen.

1.4.

Hangende het door verzoeker tegen de uitspraak van 27 november 2015 ingestelde hoger beroep heeft het college bij brief van 23 maart 2017 een op 30 december 2016 door verzoeker en de directeur van Optimisd, namens Optimisd, ondertekende “vaststellingsovereenkomst bij einde mediation” (vaststellingsovereenkomst) overgelegd.

2. Bij de uitspraak van 24 oktober 2017, waarvan herziening is gevraagd, heeft de Raad het hoger beroep van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de Raad overwogen dat gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst het conflict tussen partijen over de in dat geding aan de orde zijnde aanspraak van verzoeker jegens het college op bijstand ingevolge de Bbz 2004 is beëindigd en dat niet valt in te zien dat partijen thans over die aanspraak nog een geschil hebben. Met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst is dan ook het procesbelang van verzoeker bij het hoger beroep komen te vervallen. Over de stelling van verzoeker dat hij zich gedwongen voelde de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen, omdat hij door zijn financiële situatie “met de rug tegen de muur stond”, zodat hij niet aan de vaststellingsovereenkomst kan worden gehouden, heeft de Raad overwogen dat dit betoog niet slaagt, alleen al omdat verzoeker zijn stelling niet met concrete stukken heeft onderbouwd. Bovendien had verzoeker ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst recht op uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) van de gemeente Waalwijk waarmee hij in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan kon voorzien. Van betekenis achtte de Raad in dat verband voorts dat voorafgaand aan het ondertekenen van de overeenkomst op 30 december 2016 tussen partijen op 17 oktober 2016 en op 2 en 22 november 2016 gesprekken hebben plaatsgevonden en dat, zoals verzoeker ter zitting bij de Raad heeft verklaard, zijn toenmalige rechtsbijstandverlener naar aanleiding daarvan verzoeker had geadviseerd om de vaststellingsovereenkomst te sluiten. De Raad heeft overwogen dat dit leidt tot de conclusie dat verzoeker geen belang heeft bij een uitspraak op het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4412) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt, te redresseren. In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden.

3.3.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek het rapport ‘Achtergrondkenmerken Bbz-ontvangers’ van 21 februari 2017 van het Centraal Bureau voor de Statistiek en het eindrapport ‘Normbatenregeling Bbz’ van 21 december 2016 van Bureau Bartels BV ingebracht. Deze rapporten dateren van voor de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht en zijn – zoals met verzoeker ter zitting is besproken – om die reden niet aan te merken als feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:119 van de Awb, zoals vermeld onder 3.1.

3.4.1.

Verzoeker heeft verder een beroep gedaan op de brief van het college van 22 september 2017. Deze brief dateert weliswaar van voor de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, maar van na de sluiting van het onderzoek in die zaak. In deze brief heeft het college aan verzoeker meegedeeld dat aan hem over het jaar 2014 (€ 1.522,64) en over het jaar 2015 (€ 1.372,61) bijstand op grond van het Bbz 2004 is verstrekt, in de vorm van een geldlening, en hem heeft verzocht gegevens over te leggen ten behoeve van de vaststelling van de definitieve bijstand over die jaren op grond van artikel 12 van het Bbz 2004. Verzoeker voert aan dat het college, anders dan was aangekondigd in de brief van 22 september 2017, niet is overgegaan tot de ingevolge artikel 12 van het Bbz 2004 dwingendrechtelijk voorgeschreven vaststelling van de definitieve bijstand over de jaren 2014 en 2015. Voor zover dat uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeit moet de vaststellingsovereenkomst worden geacht in strijd te zijn met artikel 12 van het Bbz 2004. Verder voert verzoeker aan dat de vaststellingsovereenkomst op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen, aangezien verzoeker zich gedwongen voelde de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen omdat hij door zijn financiële situatie “met de rug tegen de muur stond”, zodat hij niet aan de vaststellingsovereenkomst kan worden gehouden. Omdat verzoeker in de jaren 2014 en 2015 aantoonbaar geen inkomen had zou de vaststelling van de definitieve bijstand over die jaren hebben geleid tot recht op bijstand en een nabetaling. Die nabetaling zou ook betrekking hebben gehad op de periode voor en na de periode waarop de vaststellingsovereenkomst betrekking heeft, te weten: de periode van 24 september 2014 (de dag waarop verzoeker zich voor het aanvragen van bijstand op grond van het Bbz 2004 had gemeld) tot 14 november 2014 en de periode van 22 november 2015 tot 22 januari 2016.

3.4.2.Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de brief van 22 september 2017 om de redenen in 3.4.1 genoemd een feit als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb is. Verder verzoekt verzoeker de Raad de vaststellingsovereenkomst nietig te verklaren en het college te verplichten over te gaan tot het alsnog bij formeel besluit toekennen van het recht op bijstand op grond van de Bbz 2004 over de periode van 24 september 2014 tot 14 november 2014 en over de periode van 22 november 2015 tot 22 januari 2016, vermeerderd met wettelijke rente, tot uitbetaling van de toegekende dwangsom van € 200,-, het alsnog uitbetalen van de 20% toeslag over de maand december 2014 en het uitbetalen van de in de coulancebetaling verrekende bijstand die niet viel onder voorschot of lening voor levensonderhoud. Daarnaast stelt verzoeker aanspraak te maken op vergoeding van immateriële schade.

3.5.

De brief van 22 september 2017 heeft deels betrekking op feiten die voor de uitspraak waarvan herziening is verzocht bekend waren, namelijk dat het college bij besluit van 26 juni 2015 aan verzoeker over de periode van 13 november 2014 tot en met 12 februari 2015 bijstand heeft toegekend op grond van het Bbz 2004 voor de kosten van levensonderhoud, in de vorm van een renteloze geldlening. Dit zijn geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

3.6.

De brief van 22 september 2017 bevat verder een verzoek aan verzoeker om gegevens over te leggen ten behoeve van de vaststelling van de definitieve bijstand over de jaren 2014 en 2015. Beoordeeld moet worden of, indien dit gegeven eerder bekend was geweest bij de Raad, dit tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden.

3.7.1.

Met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is het geschil tussen partijen over destijds aan de orde zijnde aanspraken van verzoeker jegens het college op bijstand ingevolge de Bbz 2004 beëindigd. De vaststellingsovereenkomst heeft betrekking op de periode van 14 november 2014 tot 21 november 2015. In artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst is vermeld dat het aan verzoeker te betalen bedrag wordt verminderd met de door het college aan verzoeker betaalde voorschotten en geldleningen.

3.7.2.

Verzoeker heeft de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst niet bij de daartoe bevoegde rechter aangevochten, zodat deze overeenkomst de in artikel 7:900 en volgende, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalde rechtsgevolgen heeft en daarmee de rechtstoestand tussen partijen bepaalt. Anders dan verzoeker kennelijk meent, kan de vaststellingsovereenkomst in de onderhavige procedure niet zelf onderwerp van herziening zijn. Dit betekent dat de stelling van verzoeker dat de vaststellingsovereenkomst op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen en/of moet worden geacht in strijd te zijn met artikel 12 van het Bbz 2004 geen nieuw feit of omstandigheid kan opleveren dat zou kunnen leiden tot een andere uitspraak dan de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd.

3.7.3.

Uitgaande van de tussen partijen geldende vaststellingsovereenkomst, de daarin beoogde perioden en de daarbij vastgestelde (betalings-)verplichtingen van partijen over en weer, was het college, anders dan verzoeker meent, gelet op de in 3.7.2 genoemde bepalingen van het BW, niet meer gehouden om op grond van artikel 12 van het Bbz 2004 over te gaan tot vaststelling van de definitieve bijstand over de periode waarop de vaststellingsovereenkomst betrekking heeft.

3.7.4.

De gemachtigde van het college heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat de brief van 22 september 2017 automatisch is gegenereerd en niet had moeten worden verzonden omdat de over de periode van 13 november 2014 tot en met 12 februari 2015 verstrekte bijstand onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst viel. Daarom heeft het in de brief van 22 september 2017 neergelegde verzoek geen vervolg gekregen. Nu vaststaat dat het in de brief van 22 september 2017 neergelegde verzoek – gelet op 3.8 terecht – geen vervolg heeft gekregen, levert die brief geen nieuw feit of omstandigheid op die zou kunnen leiden tot een andere uitspraak dan de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd.

3.7.5.

Voor zover verzoeker beoogt te stellen dat het college gehouden was om op grond van artikel 12 van het Bbz 2004 over te gaan tot vaststelling van de definitieve bijstand over de tijdvakken in de jaren 2014 en 2015 waarop de vaststellingsovereenkomst geen betrekking heeft, kan dat niet tot herziening leiden alleen al omdat die tijdvakken in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening is verzocht niet ter beoordeling voorlagen.

3.8.

Verzoeker heeft ten slotte aangevoerd dat hij op 22 juni 2015 opnieuw een aanvraag op grond van zowel de IOAZ als het Bbz 2004 heeft ingediend en dat het college de in het kader van die aanvraag verstrekte voorschotten ten onrechte als onderdeel van de tussen partijen getroffen minnelijke regeling, zoals neergelegd in de vaststellingsovereenkomst, in mindering heeft gebracht op het aan verzoeker te betalen bedrag. Ook deze feiten en omstandigheden zijn, wat ervan zij, geen feit of omstandigheid in de zin van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, alleen al omdat de aanvraag van 22 juni 2015 in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening is verzocht geen onderwerp van geschil was. In die procedure lag immers uitsluitend de afwijzing van de aanvraag van 13 november 2014 om bijstand op grond van het Bbz 2004 voor. De enkele omstandigheid dat de door verzoeker bedoelde voorschotten als onderdeel van de vaststellingsovereenkomst in mindering zijn gebracht op het aan verzoeker te betalen bedrag, maakt dat niet anders.

3.9.

Uit 3.3 tot en met 3.8 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

3.10.

Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in titel 8.4 van de Awb. Uit artikel 8:119, tweede lid, van de Awb volgt dat deze titel niet van toepassing is op het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening. Daaruit volgt dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade al moet worden afgewezen omdat genoemd artikellid geen grondslag voor toewijzing kan bieden.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om herziening af;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2020.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.H.H. Slaats