Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
18/5396 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen bijstand. Niet verblijven op uitkeringsadres. Extreem laag waterverbruik. Verklaringen buurtbewoners.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5396 PW, 18/5397 PW

Datum uitspraak: 29 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van
7 september 2018, 17/3971 en 18/549 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats ] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J. Nijssen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nijssen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Bethlehem.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 20 maart 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij stond met haar twee kinderen in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het bij het college opgegeven adres in [woonplaats ] (uitkeringsadres).

1.2.

Na een anonieme melding op 30 maart 2017 dat appellante bij een vriend op een ander adres (adres van X) zou wonen, hebben medewerkers van de Afdeling Inkomen, team Handhaving en Invordering van de gemeente Emmen (medewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek verricht, gegevens over het verbruik van water, elektriciteit en gas van de woningen op het uitkeringsadres en het adres van X opgevraagd, waarnemingen bij de woningen op het uitkeringsadres en het adres van X verricht, op 19 juli 2017 en 21 juli 2017 gesprekken met appellante gevoerd en op 19 juli 2017 gesprekken gevoerd met drie buurtbewoners van het uitkeringsadres. De bevindingen uit het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 juli 2017.

1.3.

De resultaten van het onderzoek vormden voor het college aanleiding om bij besluit van
1 augustus 2017 de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2016 in te trekken. Bij dit besluit heeft het college verder de volgende kosten van bijstand teruggevorderd: de over 2016 betaalde algemene bijstand tot een bedrag van € 14.904,45 bruto, de individuele inkomenstoeslag tot een bedrag van € 500,- netto en de over 2017 betaalde algemene bijstand tot een bedrag van € 5.896,74 netto.

1.4.

Op 22 september 2017 hebben medewerkers tijdens een huisbezoek in het kader van een onderzoek naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om bijstand de meterstanden van de elektriciteits- gas- en watermeters van de woning op het uitkeringsadres opgenomen.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 12 oktober 2017 (bestreden besluit 1), heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2017 gedeeltelijk gegrond verklaard, de intrekking van de bijstand over de maanden januari en februari 2017 herroepen en het bedrag van de terugvordering van de kosten van bijstand over 2017 vastgesteld op € 3.931,16 netto. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het college geen mededeling te doen van het feit dat zij in de periodes tussen 1 januari 2016 en 31 december 2016 en tussen 1 maart 2017 en 1 augustus 2017 niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, waardoor het recht op bijstand over die periodes niet kan worden vastgesteld.

1.6.

Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft het college appellante een boete opgelegd van
€ 2.367,60. Bij beslissing op bezwaar van 10 januari 2018 (bestreden besluit 2), heeft het college de hoogte van de boete bepaald op € 1.183,80. Het college is hierbij uitgegaan van normale verwijtbaarheid en van een beperkte draagkracht voor het betalen van de boete, uitgaande van de op appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periodes lopen van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 en van 1 maart 2017 tot en met 1 augustus 2017.

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

1 januari tot en met 31 december 2016

4.3.

Het college heeft aan de intrekking onder meer het lage waterverbruik op het uitkeringsadres ten grondslag gelegd. Uit de gegevens van het waterbedrijf blijkt dat op het uitkeringsadres in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 in totaal 4 m³ water is verbruikt.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986) is bij een verbruik van maximaal 7 m³ water per jaar per huishouden sprake van een extreem laag waterverbruik. Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.

4.5.

Appellante is daarin niet geslaagd. Met de overgelegde verklaring van haar ouders dat zij doordeweeks ’s nachts bij haar ouders sliep maar overdag, als haar kinderen op school waren, en in de weekenden wel in de woning op het uitkeringsadres verbleef, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij ondanks het extreem lage waterverbruik wel op het uitkeringsadres haar hoofdverblijf had.

1 maart 2017 tot en met 1 augustus 2017

4.6.

Uit het in 1.2 en 1.4 vermelde onderzoek blijkt onder meer het volgende. Appellante heeft op 19 juli 2017 op de vraag sinds wanneer ze daadwerkelijk samenwoont met X, geantwoord dat het eind februari/begin maart 2017 zal zijn geworden dat zij merendeels daar is. Verder is in de woning op het uitkeringsadres in de periode van 2 oktober 2016 tot 22 september 2017 527 KWh elektriciteit en 124 m3 gas verbruikt, terwijl het gemiddelde jaarlijkse verbruik van een gezin met drie personen 3660 KWh en 940 m3 is. In 2017 is tot en met 22 september 12 m3 water verbruikt, terwijl het gemiddeld jaarlijks waterverbruik voor één persoon 46 m3 is. Er is dus sprake van een laag energie- en waterverbruik op het uitkeringsadres. Voorts hebben drie bewoners van het appartementencomplex waartoe de woning op het uitkeringsadres behoort, op 19 juli 2017 verklaard dat appellante er, net als zij, drie jaar geleden is komen wonen toen het complex werd geopend, maar er al geruime tijd niet meer woont. Deze verklaringen zijn deels concreet en vermelden de reden van wetenschap. Zo heeft de bewoner van nummer [X] in dit verband verklaard dat hij als [lid] van de bewonerscommissie al meerdere keren bij appellante aan de deur is geweest voor het innen van de contributie of een barbecue die georganiseerd wordt. Hij komt dan rond zeven uur ’s avonds langs omdat hij verwacht dat zij, nu zij jonge kinderen heeft, dan wel thuis is. Er is geen enkele keer opengedaan. In de week dat hij de verklaring aflegde zag hij haar met de auto aankomen, de auto uitstappen en daarbij de motor aan laten staan, de post ophalen en daarna gelijk de auto weer instappen. De bewoner van nummer [Y] heeft verklaard dat hij appellante in het begin wel zag en dat de kinderen op de galerijen speelden. Zij is nu al ruim twee jaar weg.

4.7.

Het college heeft met de verwijzing naar de in 4.6 weergegeven onderzoeksbevindingen aannemelijk gemaakt dat appellante niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dat, zoals appellante aanvoert, haar energieverbruik laag is doordat haar appartement wordt omringd door andere appartementen en dat zij de medebewoners van haar appartement niet dagelijks tegen het lijf loopt, wat niet ongebruikelijk is, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op de in de verklaringen van de andere bewoners van het appartementencomplex vermelde redenen van wetenschap, is, anders dan appellante heeft aangevoerd, verder niet aannemelijk dat sprake is van een persoonsverwisseling van appellante met een andere bewoonster van het appartementencomplex.

4.8.

Uit 4.5 en 4.7 volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de te beoordelen periodes niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Door hiervan geen mededeling te doen aan het college, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

4.9.

Gelet op 4.8 was het college op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW verplicht om de bijstand over de te beoordelen periodes in te trekken.

4.10.

Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

Boete

4.11.

Op grond van artikel 18a van de PW legt het college een bestuurlijke boete op indien belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, en de tekst van artikel 18a van de PW en van de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze per 1 januari 2017 luiden.

4.12.

Uit 4.5 en 4.7 volgt dat het college ook heeft aangetoond dat appellante, anders dan zij heeft aangevoerd, de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat zij in de te beoordelen periodes haar hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. Appellante kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 1.183,80 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellante gebleken omstandigheden. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat het college een maandelijks bedrag van 10% op haar bijstand inhoudt en dat zij dit bedrag voor de duur van twee jaren dient te missen, vormt geen dringende reden om van het opleggen van een boete af te zien. Ter zitting is komen vast te staan dat appellante de boete inmiddels heeft afbetaald.

Conclusie

4.13.

Uit 4.9, 4.10 en 4.12 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2020.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) Y. Al-Qaq