Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
19/2120 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:2545, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is verricht en dat geen aanleiding bestaat om de uitkomst van dit onderzoek voor onjuist te houden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze uiteen heeft gezet dat appellant op 5 april 2018 geschikt moest worden geacht voor zijn maatgevende arbeid, omdat noch in het onderzoek door de verzekeringsarts, noch tijdens het onderzoek in bezwaar afwijkingen zijn gevonden die een werkhervatting in de weg zouden staan. Ook is geen medische informatie ingebracht waaruit dit zou blijken. Het Uwv heeft op goede gronden de ZW-uitkering van appellant per 5 april 2018 beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2120 ZW

Datum uitspraak: 30 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2019, 18/4591 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M.J. Iqbal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een (nader) onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als developer voor 40 uur per week. Zijn dienstverband is op 1 september 2017 geëindigd. Appellant heeft zich op 27 november 2017 ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Op 29 maart 2018 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 5 april 2018 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van developer. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 3 april 2018 de uitkering die appellant op grond van de Ziektewet (ZW) ontving, per 5 april 2018 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 24 juli 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juli 2018 en 17 juli 2018 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, eigen lichamelijk en psychisch onderzoek door de verzekeringsarts, het gestelde in het bezwaarschrift, de observaties en het gestelde tijdens de hoorzitting van 3 juli 2018 en de beschikbare medische informatie van de huisarts en de GZ-psycholoog van 25 mei 2018. Ook is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant. In de rapporten van 16 en 17 juli 2018 heeft deze arts volgens de rechtbank afdoende gemotiveerd dat, hoewel de klachten van appellant invoelbaar zijn, er medisch gezien geen argumenten aanwezig zijn om aan te nemen dat werkhervatting schadelijk voor hem zou zijn. Appellant heeft zijn standpunt dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, niet met medisch objectieve gegevens die betrekking hebben op de datum in geding, 5 april 2018, onderbouwd. Appellant gebruikte de medicatie oxazepam niet op de datum in geding en de afspraken bij de GZ‑psycholoog en de neuroloog zien ook niet op deze datum. Volgens de rechtbank legt wat appellant tegenover het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangevoerd, daarom onvoldoende gewicht in de schaal.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar de overgelegde medische informatie aangevoerd, dat uit de aard van zijn ziektebeeld volgt dat het een ziektebeeld betreft dat al langere tijd (dus ook op 5 april 2018) speelde. Een dergelijk ziektebeeld ontstaat niet van de een op de andere dag. Ook is voorbijgegaan aan de stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat indien appellant zich onder behandeling stelt, hij niet fulltime werkzaamheden kan verrichten. Hiermee geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens appellant impliciet aan dat er wel degelijk beperkingen zijn die maken dat hij zijn arbeid niet kan verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is verricht en dat geen aanleiding bestaat om de uitkomst van dit onderzoek voor onjuist te houden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze uiteen heeft gezet dat appellant op 5 april 2018 geschikt moest worden geacht voor zijn maatgevende arbeid, omdat noch in het onderzoek door de verzekeringsarts, noch tijdens het onderzoek in bezwaar afwijkingen zijn gevonden die een werkhervatting in de weg zouden staan. Ook is geen medische informatie ingebracht waaruit dit zou blijken. Er blijkt sprake te zijn van traumatische ervaringen in het verleden, maar er is geen sprake van recidiverende herbelevingen. De huidige klachten blijken voort te komen uit persoonlijkheidsdynamiek. Adequate behandeling is geïndiceerd, maar die is op het moment van de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog niet ingezet. Indien appellant zich onder behandeling stelt, kan het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zo zijn dat hij daarnaast niet fulltime kan werken. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals appellant heeft betoogt, hiermee impliceert dat hij beperkingen heeft die maken dat hij zijn maatgevende arbeid niet kan verrichten, wordt niet gevolgd. De beperkingen voor arbeid vloeien in een dergelijke situatie niet voort uit de klachten van appellant, maar vloeien voort uit de omstandigheid dat hij door een eventuele intensieve behandeling (verminderd) beschikbaar zou zijn voor arbeid. Dit betekent dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een juist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant op 5 april 2018. Het Uwv heeft op goede gronden de ZW-uitkering van appellant per 5 april 2018 beëindigd.

5. De overwegingen in 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) M.D.F. de Moor