Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
19/253 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:6303, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toegekende studiefinanciering terecht herzien, in die zin dat appellante als thuiswonende studerende is aangemerkt en terecht teruggevorderd. Niet noodzakelijk dat de studerende bij het huisbezoek aanwezig is. Ten tijde van het huisbezoek had appellante haar hoofdverblijf niet op het brp-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 253 WSF

Datum uitspraak: 30 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 januari 2019, 18/1161 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.M. van Spanje, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Aan de zitting hebben deelgenomen appellante, bijgestaan door mr. O. Smits, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante staat vanaf 29 september 2016 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] (brp-adres). Onder dit adres staan - ten tijde hier van belang - ook ingeschreven een oom (hoofdbewoner), tante en neef van appellante.

1.2.

Appellante heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 oktober 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.3.

Op 28 september 2017 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is, in het bijzijn van de hoofdbewoner, een huisbezoek afgelegd op het brp-adres. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.4.

Bij besluit van 20 oktober 2017 heeft de minister, op basis van de bevindingen van het onder 1.3 vermelde onderzoek, de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 oktober 2016 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 2.482,91 van haar teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 24 januari 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 oktober 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met de bevindingen van het huisbezoek aannemelijk gemaakt dat appellante ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante is er geen zorgvuldig onderzoek verricht en zijn de bevindingen van het huisbezoek niet toereikend voor de conclusie dat appellante niet woonde op het brp-adres.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 3 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4044) dat het voor het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek in het algemeen niet noodzakelijk is dat de studerende bij het huisbezoek aanwezig is. In dit geval is dat niet anders. Uit het rapport van het huisbezoek blijkt niet dat het huisbezoek niet in goede orde heeft kunnen plaatsvinden. Als de studerende meent dat tijdens het huisbezoek bepaalde zaken niet zijn opgemerkt of verkeerd zijn geïnterpreteerd dan is er tijdens de bezwaarfase ruim gelegenheid daarvan melding te maken. Appellante heeft deze mogelijkheid ook benut.

4.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister met de bevindingen van het huisbezoek heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De minister heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat appellante ten tijde van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde. Waar appellante stelt dat zij ten tijde van het huisbezoek al geruime tijd op het brp-adres woont, valt redelijkerwijs te verwachten dat zich daar specifiek tot haar te herleiden persoonlijke spullen bevinden waaruit kan worden afgeleid dat zij daar woont. Dergelijke spullen zijn bij het huisbezoek niet aangetroffen. Daar komt bij dat op de, als kamer van appellante, getoonde kamer allerlei spullen - zoals schone was, opgeslagen goederen, papieren, een werkrooster, een asbak en een shag-verpakking - zijn aangetroffen welke spullen volgens de hoofdbewoner allemaal van hem en zijn vrouw zijn. Dat wijst er evenmin op dat appellante ten tijde van het huisbezoek haar hoofdverblijf op het brp-adres had.

4.3.

Anders dan namens appellante is betoogd is volstrekt helder hoe de verklaring van de hoofdbewoner dat er geen persoonlijke eigendommen van appellante op het brp-adres liggen tot stand is gekomen. De hoofdbewoner heeft, zoals valt te lezen in de door hem ondertekende verklaring, uit eigen beweging - reeds vóór het tonen van de zolderkamer waar appellante zou verblijven - aan de controleurs meegedeeld dat appellante haar kleding en al haar andere spullen op dat moment niet op het brp-adres heeft. De hoofdbewoner heeft verklaard dat appellante al haar spullen tijdelijk naar de woning van haar oma heeft verhuisd omdat twee weken voor het huisbezoek de kast op de zolderkamer uit elkaar is gevallen, er nog geen nieuwe kast is en appellante haar spullen op het brp-adres nergens kwijt kon. Het uiteengevallen zijn van de kast op de zolderkamer biedt naar het oordeel van de Raad geen genoegzame verklaring voor de totale afwezigheid van tot appellante te herleiden persoonlijke zaken op het brp-adres ten tijde van het huisbezoek. In dat licht bezien is ook de enkele verklaring van de hoofdbewoner dat appellante woont op het brp-adres niet toereikend voor de conclusie dat appellante ten tijde van het huisbezoek haar hoofdverblijf wel heeft op het brp-adres. Appellantes stelling dat de hoofdbewoner niet wist dat zij een deel van haar kleding bewaarde in de kast op de eerste verdieping, onder meer omdat zij en de hoofdbewoner langs elkaar heen leefden, laat zich niet rijmen met de door hem, uit eigen beweging, gegeven verklaring. Dan had het namelijk voor de hand gelegen dat de hoofdbewoner verklaard had dat hij niet wist waar de kleding van appellante zich bevond. Dat, zoals in het rapport staat, de controleurs het opmerkelijk vinden dat appellante geen bed heeft en de hoofdbewoner niet zou weten welke opleiding appellante volgt, is niet van belang nu deze gegevens niet ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit en niet dragend zijn voor de conclusie dat aannemelijk is dat appellante niet woonde op het brp-adres.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020.

(getekend) H.J. de Mooij

de griffier is verhinderd te ondertekenen