Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2323

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
18/3243 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijstand met terugwerkende kracht. Geen bijzondere omstandigheden. Geen toezegging gedaan door college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3243 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 29 september 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2018, 17/3309 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. dr. G.P. Dayala, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Dayala. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 15 december 2015 gemeld voor het doen van een aanvraag om een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Op 4 januari 2016 heeft appellant laten weten dat hij wilde afzien van het indienen van een
Bbz-aanvraag.

1.2.

Op 1 juli 2016 heeft appellant zich opnieuw gemeld voor het aanvragen van een
Bbz-aanvraag en nadien de aanvraag ingediend. Het college heeft die aanvraag bij besluit van 22 november 2016 afgewezen. Appellant heeft tegen dat besluit geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Appellant heeft op 2 februari 2017 een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) ingediend.

1.4.

Bij besluit van 5 april 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 mei 2017, heeft het college appellant per 2 februari 2017 bijstand toegekend in de vorm van een geldlening.

1.5.

Bij besluit van 14 december 2017 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van
17 mei 2017 herzien, het bezwaar tegen besluit van 5 april 2017 gedeeltelijk gegrond verklaard en de bijstand alsnog om niet toegekend. Daarbij heeft het college de ingangsdatum van de bijstand ongewijzigd vastgesteld op 2 februari 2017. Aan het bestreden besluit, voor zover het de ingangsdatum betreft, heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. In de situatie van appellant zijn er geen bijzondere omstandigheden die reden geven om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690).

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat in zijn geval zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in 4.1. Hij was na zijn bedrijfsbeëindiging als gevolg van een ernstig auto-ongeluk op 15 december 2015 bijstandbehoevend en verkeerde in een benarde en stressvolle situatie. Ter zitting heeft appellant er ook nog op gewezen dat het college hem onvoldoende heeft voorgelicht over de mogelijkheid om een aanvraag om algemene bijstand in te dienen.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om tijdig een aanvraag om bijstand in te dienen of dat hij is afgehouden van het doen van een dergelijke aanvraag.

4.3.2.

De enkele, door appellant gestelde, omstandigheid dat hij, kort gezegd, vanaf 15 december 2015 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, is geen bijzondere omstandigheid in de onder 4.1 bedoelde zin. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het college in het kader van de aanvraag om bijstand van 2 februari 2017 niet gehouden was te beoordelen of appellant al eerder in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Die beoordeling vindt pas plaats als is vastgesteld dat er bijzondere omstandigheden zijn die bijstandverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

4.3.3.

De gestelde omstandigheid dat het college appellant onvoldoende heeft voorgelicht, is evenmin een bijzondere omstandigheid als bedoeld in 4.1. Het behoort immers tot de eigen verantwoordelijkheid van appellant om tijdig een aanvraag om bijstand in te dienen. Gebrek aan voorlichting van de kant van het college is dan ook geen reden om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.

4.4.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij erop mocht vertrouwen dat zijn Bbz-aanvraag van 1 juli 2016, na afwijzing daarvan, als PW-aanvraag in behandeling zou worden genomen. Dit was hem namelijk toegezegd. Ook gezien het voor hem negatieve resultaat van het levensvatbaarheidsonderzoek, dat is verricht naar aanleiding van zijn Bbz-aanvraag, mocht appellant erop vertrouwen dat het college zou beslissen over zijn mogelijke bijstandbehoevendheid vanaf december 2015.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit de uitspraak van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van het college enige toezegging of andere uitlating is gedaan of enige gedraging is verricht waaruit appellant kon en mocht afleiden dat het college de Bbz-aanvraag, na afwijzing daarvan, alsnog in behandeling zou nemen als aanvraag om algemene bijstand op grond van de PW. In de resultaten van het hiervoor bedoelde levensvatbaarheidsonderzoek ligt ook niet een zodanige toezegging, uitlating of gedraging besloten.

4.6.

Appellant heeft ten slotte nog aangevoerd dat het college appellant unfair heeft behandeld en heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van zuiverheid van oogmerk en dat sprake is van willekeur. Deze beroepsgronden slagen niet, alleen al bij gebreke van enige onderbouwing daarvan.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2020.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) R.I.S. van Haaren