Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
18/6586 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:6450, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv. De geschiktheid van de functie productiemedewerker industrie in voldoende mate aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6586 ZW

Datum uitspraak: 30 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 november 2018, 18/2109 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 19 augustus 2020. Daaraan hebben deelgenomen appellant, bijgestaan door mr. Bronsveld, en mr. M.W.L. Clemens namens het Uwv.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als chauffeur. Op 19 januari 2015 heeft hij zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziek gemeld met rugklachten. Het Uwv heeft appellant vanaf 20 april 2015 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar (toetsing) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 mei 2016 de ZW-uitkering van appellant per 18 juni 2016 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid als chauffeur, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies.

1.3.

Het Uwv heeft appellant aansluitend een WW-uitkering toegekend. Appellant heeft zich op 27 oktober 2016 opnieuw ziek gemeld met rugklachten. In verband hiermee heeft hij een aantal keren het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, laatstelijk op 19 oktober 2017. Deze arts heeft appellant per 25 oktober 2017 geschikt geacht voor de in het kader van de toetsing geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 24 oktober 2017 de ZW-uitkering van appellant per 25 oktober 2017 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 2 maart 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 2 maart 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat één van de geselecteerde functies, de functie van medewerker tuinbouw (Sbc-code 111010), de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2.1.

Tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 28 september 2018 gerapporteerd dat appellant meer beperkt is dan in de eerder opgestelde FML is verwoord. De gewijzigde belastbaarheid en beperkingen zijn opgenomen in de FML van 1 oktober 2018. Een arbeidskundige bezwaar en beroep is op basis van deze gewijzigde FML in een rapport van 1 oktober 2018 tot de conclusie gekomen dat appellant op 25 oktober 2017 niet geschikt is voor de functie medewerker tuinbouw (Sbc-code 111010). De eveneens aan de toetsing ten grondslag gelegde functies van soldering operator en montagemedewerker in de Sbc-code 111180, productiemedewerker industrie, zijn per 25 oktober 2017 wel geschikt voor appellant.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven omdat het besluit in beroep van een deugdelijker motivering is voorzien. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat hij op de hoogte was van de door appellant gestelde klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, heeft appellant op de hoorzitting gesproken en hem aansluitend onderzocht. De aanwezige en opgevraagde medische informatie heeft hij bij zijn conclusie betrokken. De informatie die appellant in beroep heeft overgelegd van chirurg dr. H. Mortele en van GGz Breburg heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze informatie geen betrekking heeft op de datum in geding en daarom niet bij de beoordeling betrokken kan worden.

3.1.

Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de reeds ingediende bezwaar- en beroepsgronden, die als ingelast en herhaald moeten worden beschouwd. De rechtbank heeft ten onrechte geen aanleiding gezien voor inschakeling van een deskundige. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de informatie die appellant in beroep heeft overgelegd van chirurg Mortele en van GGz Breburg niet kan worden meegenomen bij de beoordeling. De in deze informatie vermelde klachten waren ook al aanwezig en bekend op de datum in geding. Appellant heeft gesteld dat hij niet in staat is de functies te vervullen omdat daarbij sprake is van stress en concentratie wordt verwacht. Appellant heeft verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar onderdeel 3 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

In geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant per 25 oktober 2017 geschikt is voor ten minste een van de in het kader van de toetsing geselecteerde functies en terecht de ZW-uitkering van appellant heeft beëindigd.

4.3.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank, dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest, wordt onderschreven. De stelling van appellant dat niet de verzekeringsarts maar slechts een deskundige de psychische klachten van appellant kan duiden wordt niet gevolgd. Het is de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts om de (lichamelijk en psychische) belastbaarheid van een betrokkene in kaart te brengen en zijn arbeidsmogelijkheden te beoordelen. Daarbij wordt rekening gehouden met de informatie van de behandelaars, in dit geval de door de huisarts benoemde stressklachten.

4.5.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die zijn stelling, dat hij op 25 oktober 2017 niet is staat is enige loonvormende arbeid te verrichten, kunnen ondersteunen. Gelet op de beschikbare gegevens zijn er ook geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de beoordeling van het Uwv. De in beroep overgelegde medische informatie van 26 maart 2018 van GGz Breburg en van 4 mei 2018 van orthopedisch chirurg Mortele werpt geen ander licht op de zaak nu deze informatie geen betrekking heeft op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. Daarbij wordt nog overwogen dat, zoals ter zitting van de Raad is besproken, appellant zich op 21 december 2017 opnieuw heeft ziekgemeld en hem opnieuw een ZW-uitkering is toegekend en dat dus sprake is van een veranderde medische situatie ten opzichte van de datum in geding, 25 oktober 2017. Voor inschakeling van een onafhankelijke medisch deskundige bestaat daarom ten aanzien van de datum in geding geen grond. De daarvoor noodzakelijke twijfel aan het medisch oordeel van het Uwv ontbreekt.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 1 oktober 2018 wordt het oordeel van de rechtbank dat de geschiktheid van de functie productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) in voldoende mate is aangetoond eveneens onderschreven. Daarbij is in het rapport van de arbeidskundige bezwaar en beroep van 1 oktober 2018 inzichtelijk verwoord dat de werkzaamheden in de functies soldering operator en montagemedewerker worden verricht in een rustige werkomgeving. Uit het Resultaat functiebeoordeling van 1 oktober 2018 blijkt dat geen sprake is van een bovennormale belasting voor concentreren.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) H. Spaargaren