Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
18/33 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong uitkering terecht wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de verzekeringsartsen inzichtelijk hebben gemotiveerd dat appellante in staat is ten minste één uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag vijf dagen in de week belastbaar is. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 33 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

29 november 2017, 17/398 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 september 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Voor appellante zijn mr. Bakker en [naam moeder] (de moeder van appellante), verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1985, heeft in verband met een artritis beeld sinds 24 oktober 2006 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%

1.2.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 15 december 2015 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 9 juni 2016 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

1.3.

Bij besluit van 3 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 9 juni 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de uitkomsten van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken en de conclusie dat appellante arbeidsvermogen heeft. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening heeft gehouden met de sterk beperkte fysieke belastbaarheid van appellante, zoals die ook is beschreven in de door appellante in beroep ingebrachte informatie van de behandelend reumatoloog. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat uit de aanwezige medische gegevens niet blijkt dat appellante niet over arbeidsvermogen beschikt. De verzekeringsarts heeft in beroep nader toegelicht waarom appellante ten minste één uur achtereen kan werken en vier uur op een dag vijf dagen per week belastbaar kan worden geacht, waarbij rekening gehouden wordt met een 24-uurs bioritme. De rechtbank heeft overwogen dat appellante haar standpunt, dat het 24-uurs bioritme niet voor haar geldt, niet met medische stukken heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk uiteengezet waarom de taak bemannen balie goed aansluit bij de fysieke belastbaarheid van appellante.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij dusdanig beperkt is dat het 24-uurs bioritme niet voor haar geldt. Appellante betwist dat zij ten minste één uur aaneengesloten kan werken en ten minste vier uur per dag en vijf dagen achtereen belastbaar is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante informatie van haar reumatoloog ingezonden, waaronder radiologisch beeldmateriaal van haar gewrichten uit 2017, beeldmateriaal en verslagen over haar rechterenkel (die in 2018 is vastgezet) en een specialistenbericht van 28 januari 2020.

3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het beoordelingskader wordt verwezen naar de overwegingen 3.2 tot en met 3.7 van de aangevallen uitspraak en de uitspraak van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de verzekeringsartsen inzichtelijk hebben gemotiveerd dat appellante in staat is ten minste één uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag vijf dagen in de week belastbaar is. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De behandelend reumatoloog heeft in zijn brief van 16 januari 2017 uiteengezet dat hij kan aangeven dat de belastbaarheid van appellante zeer zeker beperkt is wat afhankelijk van het type belasting mede tot uiting komt in actieve gewrichten, ergo echte opleving van haar reumatische ziekte. Hij heeft toegelicht dat fysiek aanhoudende belasting voor met name de onderste extremiteiten en ook veelvuldig repeterend werk voor polsen en handen reumatologisch onwenselijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 6 maart 2017 uiteengezet dat het medisch beeld van appellante uit de medische informatie duidelijk is en dat rekening is gehouden met de verminderde belastbaarheid, ook na wijziging van de medicatie, en dat bekend was dat appellante bij te veel belasten gewrichtsontstekingen krijgt. Mede gelet op de invulling van het dagverhaal van appellante werd geoordeeld dat zij een uur achtereen lichte, fysiek weinig belastende, taken kan uitvoeren en minstens vier uur verdeeld over de hele dag bijvoorbeeld de geselecteerde voorbeeldtaak bemannen balie kan verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in hoger beroep, mede naar aanleiding van de in hoger beroep ingebrachte stukken, toegelicht dat bij appellante geen sprake is van een aandoening die een dermate wisselende energetische of fysieke belastbaarheid laat zien, waardoor appellante niet elke dag van de week vier uur per dag belastbaar is met het uitvoeren van een licht fysiek belastende taak. Bij appellante is sprake van lichte slijtage in enkele gewrichten, waardoor zij minder belastbaar is. Ook met de lichte ontsteking die regelmatig in de gewrichten optreedt, kan appellante de licht fysiek belastende taak bemannen balie verrichten. Ook de verminderde energie die bij de reumatische aandoening van appellante kan optreden en de verminderde beweeglijkheid van de rechtervoet, staan hier niet aan in de weg. Er is geen reden deze inzichtelijke en goed gemotiveerde conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet te volgen. Uit de medische informatie van de behandelend reumatoloog kan niet worden afgeleid dat appellante niet ten minste vier uur verdeeld over de hele dag en vijf dagen in de week kan werken. Nu er geen twijfel bestaat over de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen aanleiding voor een nader onderzoek door een deskundige.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op dit oordeel bestaat er geen grond voor een veroordeling tot het vergoeden van schade, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020.

(getekend) S. Wijna

(getekend) B.V.K. de Louw