Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2312

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
18/1235 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand ter compensatie inkomstenterugval wegens wegvallen toeslagen omdat zoon 18 jaar was geworden. Betreft algemene bijstand, geen bijzondere bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/1235 PW en 20/605 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 29 september 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 januari 2018, 17/1862 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Deventer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Tadema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 15 mei 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (nader besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2020. Namens appellante is

mr. Tadema verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
F.J.M. Wijnberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Daarnaast ontving appellante zorgtoeslag, huurtoeslag, kindgebonden budget, kinderbijslag en een bijdrage van Stichting Leergeld voor haar inwonende zoon.

1.2.

[In] 2016 is de zoon van appellante 18 jaar geworden. Vanaf dat moment had appellante geen aanspraak meer op kindgebonden budget, kinderbijslag en een bijdrage van Stichting Leergeld. Om te kunnen voorzien in de inkomensterugval heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd ter aanvulling van de kosten van levensonderhoud vanaf
16 november 2016. Daarnaast heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor diverse kosten van het transgendertraject van haar zoon. Bij besluit van 15 december 2016 heeft het college aan de zoon van appellante bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar.

1.3.

Bij besluiten van 19 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2017 (bestreden besluit), heeft het college beide aanvragen van appellante afgewezen. Aan de

afwijzing van de bijzondere bijstand ter compensatie van de inkomensterugval heeft het college ten grondslag gelegd dat de zoon van appellante sinds zijn 18e jaar een zelfstandig recht op bijstand heeft en de kosten van levensonderhoud niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Aan de afwijzing van de kosten van het transgendertraject van de zoon van appellante heeft het college ten grondslag gelegd dat het hier incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn, die voorzienbaar waren en waarvoor gereserveerd had kunnen worden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover dat ziet op de afwijzing van de bijzondere bijstand voor de genderverklaring. Voor het overige heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.

2.1.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij nader besluit aan appellante eenmalig bijzondere bijstand toegekend voor diverse kosten rondom het transgendertraject van haar zoon tot een bedrag van € 117,35.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de afwijzing van de bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud in stand heeft gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het nader besluit wordt met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald, voor zover hier van belang, dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.3.

Met haar aanvraag heeft appellante beoogd bijzondere bijstand te verkrijgen ter compensatie van de inkomensterugval doordat zij geen aanspraak meer kon maken op kindgebonden budget, kinderbijslag en een bijdrage van Stichting Leergeld. Haar bijstandsnorm is niet gewijzigd. Deze aanvraag was dus in wezen gericht op het verkrijgen van bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Appellante heeft, kort weergegeven, aangevoerd dat zij recht heeft op bijzondere bijstand voor dat doel, omdat in haar geval sprake is van een schrijnende situatie waarin compensatie is geboden.

4.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraken van 17 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1418, en 6 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1600) wordt in de PW een strikt onderscheid gemaakt tussen algemene bijstand en bijzondere bijstand. Algemene bijstand is bedoeld om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, bijzondere bijstand om te voorzien in andere dan algemene bestaanskosten. Alleen al om die reden heeft appellante geen recht op de door haar aangevraagde bijzondere bijstand. De stelling van appellante dat zij in de schuldsanering zat en een groot deel van haar inkomen kwijt was aan het aflossen van schulden, leidt niet tot een ander oordeel.

4.5.

Voor zover de gevraagde compensatie voor de gestelde inkomensachteruitgang samenhangt met dan wel voortvloeit uit kosten die ten behoeve van de meerderjarige inwonende zoon van appellante worden gemaakt, hebben deze kosten geen betrekking op appellante zelf en kan appellante al daarom voor deze kosten geen aanspraak op bijzondere bijstand aan artikel 35, eerste lid, van de PW ontlenen. Volgens de systematiek van de PW worden appellante en haar inwonende zoon met ingang van de datum dat haar zoon de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt beschouwd als twee zelfstandige rechtssubjecten. Dat appellante jegens haar zoon nog onderhoudsplichtig is in de zin van het Burgerlijk Wetboek maakt dit niet anders.

4.6.

Dat volgens appellante een aantal andere gemeenten ervoor hebben gekozen beleid te voeren om een dergelijke inkomensterugval te compenseren, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het gaat hier om buitenwettelijke begunstigend beleid, zodat het college niet gehouden is dergelijk beleid te voeren. De PW wordt gedecentraliseerd door de gemeenten uitgevoerd en in de rechtspraak is aanvaard dat daardoor verschillen kunnen ontstaan.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

4.8.

Appellante heeft tegen het nader besluit geen beroepsgronden aangevoerd. Het beroep tegen het nader besluit zal daarom ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 mei 2018 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2020.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) Y. Al-Qaq