Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
18/1051 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd WIA-uitkering toe te kennen. Geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. De arbeidsdeskundige heeft in het resultaat functiebeoordeling bij alle signaleringen toereikend en inzichtelijk gemotiveerd waarom de functies ondanks de daarbij aanwezige signaleringen voor appellant geschikt moeten worden geacht. Appellant heeft niets aangevoerd dat doet twijfelen aan de juistheid van deze motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1051 WIA

Datum uitspraak: 30 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 januari 2018, 16/5820 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Arentz-Veldkamp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Het Uwv heeft antwoord gegeven op vragen van de Raad en daarbij de bevindingen van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. Namens appellant heeft mr. Arentz-Veldkamp hierop gereageerd.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als elektromonteur voor ongeveer 35 uur per week. Op 7 mei 2014 heeft hij zich ziek gemeld met rugklachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 maart 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 24,58% bedraagt. Bij besluit van 30 maart 2016 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 8 mei 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 24 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 29 juli 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 2 augustus 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 29 juli 2016 een gewijzigde FML opgesteld waarin verdergaande beperkingen zijn opgenomen voor lopen, staan en professioneel autorijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de gewijzigde FML nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 24,86%. Appellant blijft minder dan 35% arbeidsongeschikt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de medische grondslag van het besluit berust op een gebrekkige motivering. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat met het aanvullende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2017 en de aangepaste FML van dezelfde datum, waarin een aanvullende beperking voor zitten is opgenomen, de medische grondslag van het bestreden besluit in beroep alsnog op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien aan deze conclusies te twijfelen. Ook aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 29 juli 2016, dat een beperking op het item afwisselen van houding niet meer nodig is gelet op de beperkingen die al zijn aangenomen in de aaneengesloten duur van het zitten, staan en lopen waardoor vanzelf sprake is van afwisseling van houding, wordt niet getwijfeld. Naar het oordeel van de rechtbank is door het Uwv ook voldoende gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de vastgestelde medische belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. In het rapport van 24 juli 2017 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de in bezwaar geselecteerde functies op basis van de in beroep gewijzigde FML nog steeds passend zijn. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij meer beperkt is dan door het Uwv wordt aangenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant medische informatie van zijn neuroloog, huisarts en psycholoog en een rapport van verzekeringsarts A.B. Gille in het geding gebracht. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige in te schakelen. Verder heeft appellant aangevoerd dat in twee van de geselecteerde functies 60 minuten achtereen gezeten moet worden, terwijl de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant beperkt heeft geacht tot 30 minuten achtereen zitten. Door hieraan voorbij te gaan heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellant op ontoelaatbare wijze gerelativeerd. Ook zijn de geselecteerde functies ongeschikt omdat hierin acht uur per dag moet worden gezeten, zodat te weinig van houding kan worden gewisseld. Daarnaast is er een overschrijding op traplopen die niet is besproken met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ten slotte heeft appellant gesteld dat de functie transportplanner niet geschikt is, omdat zijn type- en computervaardigheden matig zijn en hij geen ervaring heeft met tekstverwerking. Hij beheerst het Engels en Duits matig en er komen in de functie geregeld problemen voor die met inventiviteit opgelost moeten worden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv geconcludeerd dat twee van de eerder geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellant omdat hierin te lang achtereen moet worden gezeten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee nieuwe functies geselecteerd. In het rapport van 9 december 2019 heeft hij gemotiveerd dat appellant voor deze functies geschikt moet worden geacht en geconcludeerd dat appellant op basis van de nieuwe functies 25,62% arbeidsongeschikt is. Omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt blijft, heeft het Uwv het standpunt gehandhaafd dat er geen recht bestaat op een WIA-uitkering.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd appellant met ingang van 8 mei 2016 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is

4.3.

De gronden die appellant in hoger beroep aanvoert, vormen grotendeels een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. Die gronden zijn door de rechtbank volledig en voldoende gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

Verzekeringsarts Gille stelt dat appellant aanvullend beperkt moet worden geacht op item 1.9.9. (verhoogd persoonlijk risico) wegens het gebruik van Tramadol en op item 3.10 vanwege zijn lengte en dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de psychische klachten van appellant aangezien hij ten tijde van het onderzoek bij de verzekeringsarts al onder behandeling stond.

4.5.

Het rapport van verzekeringsarts Gille geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de beperkingen van appellant zoals die zijn neergelegd in de FML van 14 juli 2017. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant wegens het medicijngebruik en vanwege de rugklachten al beperkt geacht op professioneel autorijden. In het rapport van 29 juli 2016 vermeldt de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarnaast dat appellant tijdens de hoorzitting heeft verteld Tramadol alleen ‘s avonds te gebruiken zodat hij overdag kan blijven autorijden. Verzekeringsarts Gille is hieraan voorbij gegaan. Overigens kent geen van de geselecteerde functies een kenmerkende belasting op verhoogd persoonlijk risico, zodat een beperking op dit item niet leidt tot verwerping van één van de functies. Ter zitting heeft het Uwv toegelicht dat de lengte van appellant niet zodanig afwijkend is dat dit moet worden opgenomen in de FML, dat de arbeidsdeskundig analist zou vermelden als er een maximale of minimale lengte bij een functie geldt en dat uit overleg met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is gebleken dat de lengte van appellant bij de uitoefening van de functies geen probleem oplevert. Appellant heeft hier enkel tegenover gesteld dat hij wegens zijn lengte met zijn handen geen priegelwerk kan verrichten. Nu deze stelling niet is onderbouwd, wordt hierin geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van het Uwv. De in hoger beroep ingebrachte medische informatie over de psychische klachten zijn een brief van de huisarts van 14 december 2018 en brieven van de psycholoog van 12 februari 2019 en 23 april 2019 waaruit blijkt dat appellant op 14 december 2018 nog op de wachtlijst stond voor behandeling bij de GGZ en dat uiteindelijk op 12 februari 2019 een eerste intake bij PsyQ heeft plaatsgevonden. Er zijn geen medische stukken ingebracht die zien op de behandeling van appellant rond de datum in geding, zijnde 8 mei 2016. Appellant is rond de datum in geding gezien door de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij hebben geen aanleiding gezien om appellant meer beperkt te achten op persoonlijk en sociaal functioneren. Dat appellant, naar hij stelt, toen al onder behandeling was, geeft zonder verdere informatie over deze behandeling geen aanleiding om dit oordeel voor onjuist te houden.

4.6.

Ook de overige door appellant ingebrachte medische informatie geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling aangezien deze brieven dateren van bijna twee jaar na de datum in geding en de inhoud van de brieven niet ziet op de situatie van appellant rond deze datum. Omdat er geen twijfel is over de juistheid van de medische beoordeling, is er geen aanleiding een deskundige te benoemen.

4.7.

De stelling van appellant dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn omdat daarin sprake is van een overschrijding op trappenlopen, wordt niet gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het resultaat functiebeoordeling van 9 december 2019 bij alle signaleringen toereikend en inzichtelijk gemotiveerd waarom de functies ondanks de daarbij aanwezige signaleringen voor appellant geschikt moeten worden geacht. Appellant heeft niets aangevoerd dat doet twijfelen aan de juistheid van deze motivering. Het enkele feit dat de signaleringen niet met de verzekeringsarts bezwaar en beroep is besproken is daarvoor onvoldoende.

4.8.

In wat appellant heeft aangevoerd over de functie transportplanner wordt geen aanleiding gezien deze functie niet geschikt te achten. Dat in deze functie bijzondere eisen worden gesteld aan de beheersing van de Engelse en Duitse taal of aan computervaardigheden, blijkt niet uit de arbeidsmogelijkhedenlijst. Voor deze functie worden geen eisen gesteld aan de benodigde ervaring. Voor de functie is enkel een afgeronde opleiding op MBO niveau 3 vereist zonder dat eisen worden gesteld aan de opleidingsrichting. Verder is in de functie opleidingsniveau 4 vereist terwijl appellant beschikt over opleidingsniveau 5, zodat niet ingezien wordt dat appellant de in de functie vereiste inventiviteit niet zou kunnen opbrengen.

4.9.

Eerst met het rapport van 9 december 2019 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is het bestreden besluit voorzien van een toereikende arbeidskundige onderbouwing. Daarom wordt geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit besluit is dan ook in zoverre in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb. Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Aannemelijk is dat appellant door deze schending niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen omdat appellant op basis van de nieuw geselecteerde functies minder dan 35% arbeidsongeschikt blijft. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van de gronden.

5. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb vormt aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.312,50 voor verleende rechtsbijstand in beroep (2,5 punten), € 31,- voor reis- en verblijfkosten en € 741,13 voor de kosten van een deskundige, in totaal € 2.084,63. Er is aanleiding het griffierecht te laten vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.084,63;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 126,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020.

(getekend) S. Wijna

(getekend) G.S.M. van Duinkerken