Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
18/6030 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:5873, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Geen aanleiding te twijfelen aan de medische grondslag. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat aan het rapport van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige psychiater doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Deze deskundige heeft de beschikking gehad over alle in dit geding voorhanden zijnde medische gegevens, heeft op zorgvuldige wijze een onderzoek ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag gedaan. De conclusies van de deskundige met betrekking tot de beperkingen van appellant, die zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, zijn begrijpelijk en overtuigend. De rechtbank heeft overtuigend gemotiveerd waarom het Uwv kan worden gevolgd in het standpunt dat een urenbeperking niet is vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6030 ZW

Datum uitspraak: 30 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 oktober 2018, 17/3227 ZW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J. Koningsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. M. Bathoorn, advocaat, heeft zich als gemachtigde van appellant gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bathoorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als metaalbewerker. Op 17 mei 2013 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Appellant is op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 juli 2015 in staat geacht een aantal functies, waaronder productiemedewerker industrie, te verrichten. Berekend is dat appellant 24,48% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 28 juli 2015 heeft het Uwv de WIA-aanvraag van appellant afgewezen, omdat hij per 1 mei 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij besluit van 2 februari 2016 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Appellant heeft zich op 11 november 2015 opnieuw ziek gemeld met psychische klachten. Hij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de ZW.

1.4.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant op 29 augustus 2016 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft voorafgaand aan het spreekuur informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater en psycholoog. Na ontvangst van de brief van de psychiater van 30 augustus 2016 heeft de verzekeringsarts in het rapport van 26 oktober 2016 geconcludeerd dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in de FML van 10 juli 2015, die is opgesteld bij de WIA‑beoordeling. Appellant is in staat geacht één van de eerder bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. Het Uwv heeft daarom bij besluit van 26 oktober 2016 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 1 november 2016 beëindigd. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep contact gehad met de behandelaar van appellant bij GGZ en psychiater H. Kondakçi verzocht een psychiatrische expertise uit te voeren. Kondakçi heeft op 6 maart 2017 gerapporteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in het rapport van 10 maart 2017 geconcludeerd dat de verzekeringsarts kan worden gevolgd in zijn beoordeling. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 13 maart 2017 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 oktober 2016 ongegrond verklaard.

1.5.

Naar aanleiding van het beroep dat appellant heeft ingesteld tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank psychiater J.K. van der Veer als deskundige benoemd. In zijn rapport van
7 januari 2018 heeft hij geconstateerd dat appellant lijdt aan een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag en een persisterende complexe rouwstoornis. Tijdens het onderzoek zijn er in de cognitieve functies lichte beperkingen in aandacht en concentratie gezien. Appellant heeft bij toename van spanning/agressie moeite zijn aandacht langere tijd vast te houden, maar bij een duidelijke structuur neemt dit af en medicatie heeft hierop een gunstig effect. Appellant is beperkt in het reguleren van de stemming, angsten en agressie. Hij vermijdt contacten met anderen en sociale activiteiten, heeft moeite met het uiten van gevoelens en het nemen van initiatieven. Van der Veer vindt het aannemelijk dat de beperkingen rond de datum in geding 1 november 2016 minder ernstig waren omdat appellant toen zijn medicatie gebruikte. Aannemelijk is dat hij rond de datum in geding minder of nauwelijks last had van een verminderde aandachtsspanne. Ook is het volgens Van der Veer aannemelijk dat hij door het gebruik van zijn medicatie destijds minder beïnvloedbaar was voor stress en beter in staat was om zijn agressie te beheersen. Het is verder aannemelijk dat de beperkingen op het gebied van de cognitieve functies nauwelijks aanwezig zijn. Van der Veer heeft ingestemd met de beperkingen als vastgelegd in de FML van 10 juli 2015. Wel is appellant aanvullend beperkt op inzicht in eigen kunnen. Van der Veer heeft geen antwoord gegeven op de vraag of appellant terecht in staat is geacht 40 uur per week te werken, omdat dit buiten zijn deskundigheid valt.

1.6.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in de FML onder het item Overige beperkingen in persoonlijk functioneren (1.8) een beperking op inzicht in eigen kunnen gesteld. Na overleg met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant onverminderd geschikt geacht voor de functie productiemedewerker industrie.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de ingeschakelde deskundige Van der Veer gevolgd in zijn overwegingen en conclusies. Appellant heeft geen specifieke grieven aangevoerd over de beperkingen die Van der Veer over het persoonlijk en sociaal functioneren heeft genoemd. De rechtbank heeft in het rapport van Van der Veer geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellant dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft. Vastgesteld is dat Van der Veer de vraag of hij kan instemmen met het standpunt van het Uwv dat appellant op 1 november 2016 in staat was om 40 uur per week te werken niet heeft beantwoord. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien een nader onderzoek door een onafhankelijke verzekeringsarts te gelasten. Overwogen is dat appellant pas tijdens de zitting heeft aangevoerd dat een urenbeperking noodzakelijk is en dit niet met concrete medische gegevens heeft onderbouwd. De rechtbank heeft gelet op de Standaard duurbelastbaarheid geen aanknopingspunten gevonden voor een verdergaande urenbeperking. De rechtbank heeft verder geen aanleiding gezien te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in beroep bijgestelde FML omdat voldoende rekening is gehouden met de geobjectiveerde klachten van appellant. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de conclusie van de verzekeringsarts, dat appellant geschikt is de functie van productiemedewerker industrie te verrichten, onjuist te achten. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht de ZW‑uitkering van appellant per 1 november 2016 heeft beëindigd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en zijn beperkingen zijn onderschat. De rechtbank heeft ten onrechte het deskundigenoordeel en de daaraan verbonden conclusies van het Uwv gevolgd. De deskundige heeft de vragen omtrent de duurbelasting en de geschiktheid van de geselecteerde functies niet beantwoord. De rechtbank had daarin aanleiding moeten zien een onafhankelijke verzekeringsarts in te schakelen. Appellant houdt voorts staande dat zijn beperkingen met de FML in beroep zijn onderschat. Hij is sterker beperkt op persoonlijk en sociaal functioneren en hij is niet in staat 40 uur per week te werken. Door zijn medicatiegebruik kan appellant niet werken met machines en gereedschap, of voertuigen besturen. Appellant handhaaft tot slot zijn standpunt dat hij door zijn beperkingen niet in staat is één van de WIA-functies, en dus ook niet die van productiemedewerker industrie, te verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

Appellant heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat zijn beperkingen zijn vastgesteld op basis van een onzorgvuldig medisch onderzoek. Appellant wordt hierin niet gevolgd. Overwogen wordt dat appellant door de verzekeringsarts na zijn ziekmelding en in het kader van de EZWb meermaals op het spreekuur is gezien en onderzocht. De verzekeringsarts heeft bovendien informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater en de verkregen informatie betrokken bij zijn beoordeling. De verzekeringsgeneeskundige rapporten geven geen aanleiding appellant te volgen in zijn standpunt dat het onderzoek na enkele minuten werd beëindigd en dusdanig kort was dat daarop geen beoordeling kon worden gebaseerd. Appellant heeft vervolgens in bezwaar weliswaar enkel telefonisch contact gehad met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, echter heeft deze arts daarop contact gehad met de behandelaar van appellant bij GGZ en psychiater Kondakçi ingeschakeld voor een onafhankelijk onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn beoordeling daarna gebaseerd op de informatie van de behandelend sector en het rapport van Kondakçi. Deze handelswijze duidt niet op een onzorgvuldig onderzoek. De rechtbank heeft tot slot Van der Veer als onafhankelijke psychiater ingeschakeld. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding appellant te volgen in zijn standpunt dat de voor hem vastgestelde belastbaarheid is gebaseerd op een onzorgvuldig of gebrekkig onderzoek.

4.3.1.

In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien af te wijken van het in vaste rechtspraak besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd indien de door deze deskundige gebezigde motivering overtuigend voorkomt. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat aan het rapport van de deskundige psychiater Van der Veen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Deze deskundige heeft de beschikking gehad over alle in dit geding voorhanden zijnde medische gegevens, heeft op zorgvuldige wijze een onderzoek ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag gedaan. De conclusies van de deskundige met betrekking tot de beperkingen van appellant, die zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, zijn begrijpelijk en overtuigend. Aangezien uit het rapport van de deskundige blijkt dat hij geen argumenten aanwezig acht om de bij FML van 10 juli 2015 vastgestelde belastbaarheid, aangevuld met een beperking op 1.8, onjuist te achten, heeft de rechtbank daaruit terecht geconcludeerd dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de medische grondslag van het bestreden besluit.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van het voornoemde uitgangspunt af te wijken. De door hem in hoger beroep ingebrachte medische informatie was reeds beschikbaar in de bezwaar- en beroepsfase. Appellant heeft geen nieuwe medische informatie ingebracht waarin aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor een ander standpunt.

4.3.2.

De deskundige heeft weliswaar geen uitspraak gedaan over de vraag of appellant in staat is 40 uur per week te werken, echter heeft de rechtbank overtuigend gemotiveerd waarom het Uwv kan worden gevolgd in het standpunt dat een urenbeperking niet is vereist. Nu appellant in hoger beroep geen inhoudelijke gronden heeft gericht tegen dit oordeel, wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven.

4.3.3.

Voor zover appellant ter zitting heeft gesteld dat het medicatiegebruik aanleiding geeft tot het aannemen van meer beperkingen wordt overwogen dat de FML reeds een beperking bevat op persoonlijk risico (item 1.9.9). Werken op ladders, hoogtes, stellingen en steigers, met gevaar opleverende machines, gevaarlijk draaiende machineonderdelen, of het werken met of op rijdende machines dient te worden vermeden. Dat hiermee geen of onvoldoende rekening is gehouden met het medicatiegebruik heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.

4.3.4.

Omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt, bestaat er geen aanleiding een deskundige in te schakelen.

4.4.1.

Voorts wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat, uitgaande van de

juistheid van de FML en de daaraan toegevoegde beperking op 1.8, de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd in het standpunt dat appellant in staat moet worden geacht de functie van productiemedewerker industrie te vervullen.

4.4.2.

Het standpunt van appellant ter zitting, dat de functie voor hem niet geschikt is vanwege de omstandigheden dat er moet worden gewerkt met machines, de deeltaken niet zijn afgebakend en er moet worden samengewerkt, leidt niet tot een ander oordeel. Overwogen wordt dat uit de functieomschrijving en functiebelasting in het formulier Resultaat functiebeoordeling niet blijkt dat met machines wordt gewerkt, of dat er een overschrijding is op de belastbaarheid van appellant op de punten die hij naar voren heeft gebracht. De functie is gebaseerd op de belastbaarheid die is vastgesteld in de FML, die beperkingen bevat op het werken met machines, werken met deeltaken en samenwerken. Hieruit vloeit voort dat de belasting in de functie binnen de belastbaarheid van appellant blijft. Ook anderszins is niet gebleken dat de functie voor appellant ongeschikt zou zijn.

4.5.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant met ingang van 1 november 2016 heeft beëindigd.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D.S. Barthel