Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
18/5899 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op IVA- in plaats van een WGA-uitkering. Geen aanleiding te twijfelen aan de gemotiveerde conclusies van het Uwv dat appellant volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5899 WIA

Datum uitspraak: 30 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 oktober 2018, 17/3461 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als P en R medewerker voor 34,48 uur per week. Op 10 december 2009 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 8 december 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 58,27%. Vanaf 31 oktober 2012 is appellant een WGA‑loonaanvullingsuitkering toegekend en met ingang van 1 augustus 2016 een WGA‑vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het Uwv heeft appellant vanaf 1 augustus 2016, naast de WGA-uitkering, een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend.

1.2.

Appellant heeft zich op 3 oktober 2016 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten per april 2015, met name door artrose en maaghernia. Op 22 maart 2017 heeft appellant zich opnieuw bij het Uwv gemeld met een toename van de fysieke en psychische klachten per 21 maart 2017. In het kader van een herbeoordeling heeft een medisch en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Het Uwv heeft bij besluit van 23 maart 2017 de WGA‑vervolguitkering van appellant met ingang van 25 mei 2017 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Het Uwv heeft appellant bij besluit van 27 juli 2017 met ingang van 21 juni 2017 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend naar aanleiding van zijn ziekmelding per 22 maart 2017. Aan het besluit van 27 juli 2017 ligt de conclusie van een verzekeringsarts ten grondslag dat appellant op 22 maart 2017 niet beschikt over benutbare mogelijkheden.

1.4.

Bij besluit van 12 september 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen de beëindiging van de WGA-vervolguitkering gegrond verklaard en het besluit van 23 maart 2017 herroepen, onder vergoeding van de kosten van bezwaar. Het Uwv heeft daarbij vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 juni 2017, twee kalendermaanden nadat de mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd, 80 tot 100% bedraagt. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een arts van het Uwv van 30 augustus 2017 ten grondslag. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aangevoerd dat hij recht heeft op een IVA-uitkering.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar het door het Uwv gehanteerde beoordelingskader bij een onderzoek naar de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid en de van toepassing zijnde vaste rechtspraak van de Raad. De rechtbank heeft een beschrijving van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen gegeven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies en dat inzichtelijk is gemotiveerd waarom appellant per 25 mei 2017 volledig arbeidsongeschikt is geacht en dat deze situatie van tijdelijke aard is.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom vanaf 22 maart 2017 dan wel 25 mei 2017 recht heeft op een IVA-uitkering. Hij kan zich niet verenigen met de conclusie van de verzekeringsartsen dat verbetering van de belastbaarheid is te verwachten. Een concrete en deugdelijke motivering daartoe ontbreekt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar onderdeel 6 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

In geschil is of de arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 22 maart 2017 dan wel 25 mei 2017 moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellant op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA- in plaats van een WGA-uitkering.

4.3.

De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, overwogen dat het Uwv zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet, uitgaande van de medische situatie op de datum in geding, een inschatting worden gemaakt van de herstelkansen in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde.

4.4.

Het standpunt van appellant in hoger beroep vormt een herhaling van wat reeds bij de rechtbank is betoogd. De rechtbank heeft met juistheid en goed gemotiveerd geoordeeld dat deze gronden niet slagen. Daarom wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Gelet op de in het dossier aanwezige informatie, is in wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gelegen te twijfelen aan de gemotiveerde conclusies van het Uwv dat appellant volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Daaraan wordt toegevoegd dat de behandeling bij PsyQ pas in juli 2017 zou beginnen en dat ook de ZW-arts in december 2017 geconcludeerd heeft dat verdere verbetering te verwachten is. In beroep en in hoger beroep heeft appellant geen medische stukken overgelegd, die aanleiding geven voor een ander oordeel.

4.5.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) G.S.M. van Duinkerken