Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
19/3856 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep tegen de medische onderbouwing van het bestreden besluit heeft aangevoerd. Deze gronden zijn in de aangevallen uitspraak, zoals weergegeven onder 2 van deze uitspraak, gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, worden geheel onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere medische gegevens of andere informatie ingezonden, zodat er geen aanleiding is om anders te oordelen. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde en in de FML van 17 november 2017 weergegeven belastbaarheid, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/3856 WIA

Datum uitspraak: 30 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

24 juli 2009, 18/2141 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant], te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als fulltime timmerman. Bij besluit van 23 november 2007 heeft het Uwv appellant met ingang van 4 januari 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, omdat hij met ingang van die datum volledig arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 12 oktober 2015 heeft het Uwv medegedeeld dat de WIA-uitkering van appellant met ingang van 14 december 2015 wordt omgezet in een WGA‑vervolguitkering en dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage daarbij op 39,42% is vastgesteld. Het bezwaarschrift tegen dat besluit is bij beslissing op bezwaar van 14 april 2016 ongegrond verklaard. Bij uitpraak van de rechtbank van 7 december 2016 is het beroep tegen het besluit van 14 april 2016 ongegrond verklaard.

1.2.

In het kader van een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid op 22 september 2017 heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 november 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 1 december 2017 heeft het Uwv meeegedeeld dat appellant met ingang van 1 december 2017 minder arbeidsgeschikt is, hij is 41,84% arbeidsongeschikt, maar dat zijn uitkering niet wijzigt.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 4 juni 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond geacht. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat

de rapporten van de arts en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijk geven van een zorgvuldig onderzoek en dat de rapporten deugdelijk gemotiveerd, inzichtelijk en consistent zijn. De arts heeft appellant gezien op het spreekuur van 18 oktober 2017 en heeft een uitgebreide anamnese afgenomen, onderverdeeld in de onderwerpen whiplash, psychische klachten, slaapproblemen, slaapapneu en hartfalen. Besproken is dat appellant zich door de lichamelijke klachten belemmerd voelt op het gebied van lopen, traplopen, buigen, nekbewegingen, reiken en werk boven schouderhoogte. Door de psychische klachten voelt appellant zich belemmerd op de volgende gebieden: concentreren, beslissingen nemen, verantwoordelijkheden en conflicten. Verder is vermeld dat sinds kort sprake is van oorsuizen. De arts heeft zowel een psychisch onderzoek als een lichamelijk onderzoek verricht. Verder heeft de arts dossieronderzoek uitgevoerd, waarbij de in het dossier aanwezige onderzoeksverslagen en stukken van behandelaars kort zijn weergegeven. Ook is de brief van de gemachtigde van appellant en de daarbij gevoegde informatie besproken. Daarbij heeft de arts nog informatie opgevraagd bij de huisarts van appellant, die aan dat verzoek heeft voldaan bij brief van 3 november 2017, met diverse bijlagen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gezien op 31 mei 2018 en heeft de in bezwaar ingebrachte medische informatie benoemd en beschreven, alsmede de overige in het dossier aanwezige informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom hij zich kan vinden in de conclusie van de arts. Daarbij is erop gewezen dat de ingebrachte informatie het beeld bevestigt dat de cardiologische aandoening en de slaapapneu als licht kunnen worden aangemerkt. Nieuwe medische feiten die het aannemen van extra beperkingen rechtvaardigen zijn er niet, ook niet voor wat betreft de nekklachten. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen schending is van het beginsel van equality of arms en geen aanleiding is op die grond een deskndige in te schakelen. Gelet op de aanwezige medische gegevens en gelet op de zorgvuldigheid van de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er geen aanknopingspunten voor twijfel aan de beoordeling door het Uwv, zodat ook op deze grond geen aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellant onjuist hebben ingeschat dan wel dat zijn beperkingen onjuist of onvoldoende zijn weergegeven in de FML van 17 november 2017.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij wijst op zijn beperkingen ten gevolge van een whiplash, hartproblemen en slaapapneu en heeft vermeld dat tevens sprake is van depressieve klachten. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij een groot aantal uren hulp heeft bij de huishouding en ook dat sprake is van dagbesteding, tevens is sprake van een sociaal isolement. Ook is gewezen op het feit dat appelant geen hulp vraagt bij de bevoegde instanties. Bij de instelling waar appellant de dagbesteding heeft is men van mening dat appellant niet voor zichzelf kan zorgen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA met ingang van 1 december 2017 juist heeft vastgesteld.

4.2.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep tegen de medische onderbouwing van het bestreden besluit heeft aangevoerd. Deze gronden zijn in de aangevallen uitspraak, zoals weergegeven onder 2 van deze uitspraak, gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, worden geheel onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere medische gegevens of andere informatie ingezonden, zodat er geen aanleiding is om anders te oordelen.

4.2.2.

Voor het toekennen van voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) geldt een ander beoordelingskader dan voor het vaststellen van de beperkingen in het kader van de Wet WIA en uit de beschikbare gegevens blijkt niet op basis van welke medische gegevens de voorzieningen zijn verstrekt. Aan de toekenning van Wmo‑voorzieningen kan daarom niet de conclusie worden verbonden dat appellant meer beperkingen ondervindt dan wel dat zijn WIA-uitkering naar een grotere mate van arbeidsongeschiktheid zou moeten worden vastgesteld.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde en in de FML van 17 november 2017 weergegeven belastbaarheid, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) A.L. Abdoellakhan