Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
19/1572 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd WIA-uitkering toe te kennen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de in hoger beroep ingestuurde rapportage van de oefentherapeute Mensendieck van 7 mei 2019 waar appellant sinds 25 mei 2018 onder behandeling is, geen aanleiding geeft tot twijfel over de juistheid van het medisch oordeel en de vastgestelde beperkingen op de datum in geding. Deze rapportage dateert namelijk van geruime tijd na de datum in geding, 27 maart 2016, en geeft geen informatie over de medische situatie van appellant op die datum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1572 WIA

Datum uitspraak: 24 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 maart 2019, 18/3537 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.J. Broekhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingestuurd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming verleend voor afdoening buiten zitting. Hierna is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was tot 28 februari 2013 werkzaam als productiemedewerker voor 40 uur per

week. Van 1 februari 2013 tot 1 april 2014 ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Daarna ontving bij een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.

1.2.

In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar

arbeidsvermogen (Wet WIA) van 8 november 2017 heeft appellant zich met terugwerkende kracht per 30 maart 2014 ziek gemeld met hyperhidrosis, sociale angstklachten en rug- en voetklachten.

1.3.

Appellant heeft op 13 december 2017 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts.

Deze arts heeft vastgesteld dat appellant per 26 maart 2016 belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 december 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Zij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 8,21%.

1.4.

Bij besluit van 18 januari 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 27 maart 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.5.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 juni 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 7 juni 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 12 juni 2018 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht. De verzekeringsartsen hebben alle beschikbare medische informatie betrokken in hun beoordeling en hebben voor de medisch objectiveerbare klachten van appellant passende beperkingen gesteld. Daarbij hebben zij rekening gehouden met de rugklachten, de longklachten en de wisselwerking tussen overmatig transpireren en stressaspecten bij een sociaal fobisch component. Met de andere klachten die niet medisch geobjectiveerd zijn, hebben de verzekeringsartsen terecht geen rekening gehouden. Appellant heeft geen (nieuwe) medische stukken overgelegd waarin steun kan worden gevonden voor zijn standpunt dat hij ernstiger beperkt is dan door de verzekeringsartsen is aangenomen.

De geselecteerde functies heeft het Uwv aan de schatting ten grondslag kunnen leggen. De arbeidsdeskundigen hebben voldoende gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. De door hen gegeven toelichting op de signaleringen zijn voldoende inzichtelijk en consistent. De door appellant aangevoerde arbeidskundige gronden zijn in feite gericht tegen de in de FML vastgelegde belastbaarheid. Omdat is geoordeeld dat de medische belastbaarheid juist is vastgesteld, faalt die beroepsgrond.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald wat hij in beroep naar voren heeft gebracht en dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat en dat hij meer dan 35% arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing daarvan heeft hij ingestuurd een rapportage van zijn oefentherapeute Mensendieck van 7 mei 2019.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 27 maart 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de in hoger beroep ingestuurde rapportage van de oefentherapeute Mensendieck van 7 mei 2019 waar appellant sinds 25 mei 2018 onder behandeling is, geen aanleiding geeft tot twijfel over de juistheid van het medisch oordeel en de vastgestelde beperkingen op de datum in geding. Deze rapportage dateert namelijk van geruime tijd na de datum in geding, 27 maart 2016, en geeft geen informatie over de medische situatie van appellant op die datum.

4.4.

Uit 4.2 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) A.M.M. Chevalier