Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2291

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
18/5754 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd geantwoord dat van de juistheid van het teruggevorderde bedrag aan teveel ontvangen WW-uitkering van € 1.245,86 bruto in het bestreden besluit moet worden uitgegaan. Het hoger beroep is alleen gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep op schending van de hoorplicht niet slaagt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad geldt in het algemeen dat, als blijkt dat de hoorplicht is geschonden, dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd als een betrokkene in beroep of in hoger beroep de gelegenheid heeft gehad het standpunt mondeling toe te lichten en niet aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor is benadeeld. Er is geen aanleiding om van deze rechtspraak terug te komen, zoals door appellant ter zitting bepleit. Gelet op die rechtspraak heeft de rechtbank het gebrek kunnen passeren. Appellant heeft in beroep de gelegenheid gehad zijn standpunt mondeling toe te lichten. Appellant heeft niet duidelijk gemaakt welke belangen hier zouden zijn geschaad. Het hoger beroep slaagt niet. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting de bereidheid uitgesproken om de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken tot een bedrag van € 525,- te vergoeden. Het Uwv wordt daarom in deze kosten veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5754 WW

Datum uitspraak: 24 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 oktober 2018, 17/1015 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2020. Mr. Grégoire is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer LLB.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluiten van 16 september 2016, 20 september 2016, 28 september 2016, 18 oktober

2016 en 9 november 2016 (de primaire besluiten) heeft het Uwv het recht van een appellant op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 27 juni 2016 beëindigd en beslist over verrekening met de per die datum aan appellant toegekende Ziektewetuitkering (ZW) en terugvordering van teveel ontvangen WW-uitkering.

1.2.

De bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten zijn bij beslissing op bezwaar van 30 maart 2017 kennelijk ongegrond verklaard en om die reden is appellant niet gehoord.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat het beroep op schending van de hoorplicht niet slaagt. Hiertoe heeft zij overwogen dat uit de bezwaarschriften die zijn gericht tegen de primaire besluiten blijkt dat sprake is van summiere bezwaargronden. Er zijn geen inhoudelijke bezwaren geformuleerd. De door het Uwv teruggevorderde en verrekende bedragen worden door appellant alleen in twijfel getrokken. Gelet daarop kon het Uwv volgens de rechtbank, zonder appellant vooraf in de gelegenheid te stellen het bezwaar mondeling toe te lichten, op de bezwaren beslissen door in de beslissing op bezwaar uitleg te geven over de gang van zaken en de wijze van verrekening die heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is op die manier de door appellant gewenste duidelijkheid gegeven en had een hoorzitting redelijkerwijs niet kunnen bijdragen aan die verduidelijking.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn bij de rechtbank ingenomen standpunt herhaald dat zijn bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard zonder dat hij in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Volgens appellant is het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure en kan schending van de hoorplicht niet met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij geen bedrag is verschuldigd aan het Uwv maar het Uwv juist aan hem een bedrag is verschuldigd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd geantwoord dat van de juistheid van het teruggevorderde bedrag aan teveel ontvangen WW-uitkering van € 1.245,86 bruto in het bestreden besluit moet worden uitgegaan. Het hoger beroep is alleen gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep op schending van de hoorplicht niet slaagt.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 3 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:75, r.o. 4.1, 31 juli 2018, ECLI:BNL:CRVB:2018:2340, r.o. 4.3 en 19 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3667, r.o. 4.2) geldt in het algemeen dat, als blijkt dat de hoorplicht is geschonden, dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd als een betrokkene in beroep of in hoger beroep de gelegenheid heeft gehad het standpunt mondeling toe te lichten en niet aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor is benadeeld. Er is geen aanleiding om van deze rechtspraak terug te komen, zoals door appellant ter zitting bepleit.

4.3.

Gelet op die rechtspraak heeft de rechtbank het gebrek kunnen passeren. Appellant heeft in beroep de gelegenheid gehad zijn standpunt mondeling toe te lichten. Appellant heeft niet duidelijk gemaakt welke belangen hier zouden zijn geschaad. Daarbij komt dat de gronden ten aanzien van de terugvordering – ook in beroep – uiterst summier waren. Het bestreden besluit is, zoals ook door appellant gesteld, uitgebreid, maar dat is geen reden om te concluderen dat het Uwv het bezwaar niet kennelijk ongegrond kon verklaren en dus kon afzien van een hoorzitting. Op bladzijde drie van het bestreden besluit wordt immers zeer duidelijk uitgelegd dat appellant gelijktijdig zowel een WW-uitkering als een ZW-uitkering ontving en om die reden de WW-uitkering moest terugbetalen. Appellant betwist dit laatste ook niet.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

5. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wordt afgewezen.

6. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting de bereidheid uitgesproken om de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken tot een bedrag van € 525,- te vergoeden. Het Uwv wordt daarom in deze kosten veroordeeld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 525,-;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) F.E.M. Boon