Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
17/7523 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 9 april 2020 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het verzoek om vergoeding van de kosten van de door appellante overgelegde rapporten van verzekeringsarts H.M.Th. Offermans, komt gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 23 september 2020

17/7523 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
18 oktober 2017, 17/109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 16 januari 2020 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2020:98).

Het Uwv heeft op 9 april 2020 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Per faxbericht van 19 mei 2020 heeft mr. N. Robijn-Meijer, advocaat, namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 9 april 2020 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op
€ 1.050,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 1.050,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) voor verleende rechtsbijstand.

Het verzoek om vergoeding van de kosten van de door appellante overgelegde rapporten van verzekeringsarts H.M.Th. Offermans, komt gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en gelet op artikel 8 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts), daarbij moet worden uitgegaan van een geldend uurtarief van € 122,63 (2018) en € 126,47 (2019). Uit de door de gemachtigde van appellante overgelegde nota’s blijkt dat de werkzaamheden van Offermans 7 uur (2018) en 4 uur (2019) in beslag hebben genomen, zodat de totale vergoeding € 1.650,79 (inclusief omzetbelasting) bedraagt.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.750,79.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van
L.R. Scherpenzeel-Carlier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

23 september 2020.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) L.R. Scherpenzeel-Carlier

TM