Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
17/5562 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 16 mei 2014, zoals dat is gehandhaafd bij besluit van 10 september 2014, beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. De desbetreffende overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en navolgbaar heeft toegelicht dat in 2014 ook gesproken had kunnen worden van NAH, maar dit niets toevoegt aan wat in 2014 al was beschreven. Daarom is de enkele omstandigheid dat nu gesproken wordt over NAH volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet als nieuw feit aan te merken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder onderschreven dat de geheugenklachten van appellante merkbaar zijn toegenomen. Hij heeft er echter ook op gewezen dat deze toename van klachten na 2014 is opgetreden. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In wat appellante heeft aangevoerd is daarnaast geen grond gelegen om te oordelen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Hoger beroep slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5562 WAJONG

Datum uitspraak: 24 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

27 juni 2017, 17/558 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J. Hoogeveen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een (nader) onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1991, heeft op 1 april 2014 een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ingediend. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij dit onderzoek is vastgesteld dat appellante bekend is met arterioveneuze malformatie (AVM) die hersenbloedingen heeft veroorzaakt in 2000 en 2004 en waaraan appellante in 2013 is geopereerd. Bij besluit van 16 mei 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante met haar beperkingen in staat werd geacht meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. Bij besluit op bezwaar van 10 september 2014 is dit besluit van 16 mei 2014 gehandhaafd. Daarbij is vastgesteld dat appellante niet alleen op haar achttiende, maar ook aan het eind van de zogeheten Amberperiode, die liep tot 12 augustus 2014, niet was aan te merken als jonggehandicapte. Appellante heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 10 september 2014.

1.2.

Met een door het Uwv op 5 september 2016 ontvangen formulier heeft appellante een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 16 mei 2014, gehandhaafd bij besluit van 10 september 2014. Ter onderbouwing van haar aanvraag heeft appellante medische stukken overgelegd en gesteld dat zij niet aangeboren hersenletsel (NAH) heeft. Een verzekeringsarts heeft naar aanleiding van deze aanvraag dossierstudie verricht en zich op het standpunt gesteld dat bij de aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen en dat de belastbaarheid van appellante conform de aan het besluit van 16 mei 2014 ten grondslag gelegde Functionele Mogelijkhedenlijst is. Bij besluit van 22 september 2016 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat het besluit van 16 mei 2014 onjuist zou zijn.

1.3.

Bij besluit van 18 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 22 september 2016 gemaakte bezwaar met toepassing van artikel 4:6 van de Awb ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft overwogen dat de omstandigheid dat nu wordt gesproken over NAH, niet maakt dat sprake is van een nieuw gebleken medisch feit of veranderde omstandigheid. In dit verband heeft de rechtbank gewezen op een uitspraak van 1 mei 2015 van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2015:1398), waaruit volgt dat een nieuwe diagnose van een reeds bekende aandoening op zichzelf geen nieuw gebleken feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb is. De rechtbank heeft overwogen dat bij de beoordeling in 2014 rekening is gehouden met hoofdpijn en vermoeidheid en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze beoordeling van de belastbaarheid onjuist is geweest. De in beroep overgelegde informatie uit 2017 van de neuroloog van het UMC Utrecht heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn reactie dat op grond van deze informatie niet kan worden vastgesteld dat de medische grondslag van het besluit van 2014 niet te handhaven is, omdat uit deze informatie blijkt dat de geheugenklachten niet eerder dan in 2016 merkbaar zijn toegenomen. Deze informatie geeft geen nieuwe informatie over de situatie ten tijde hier in geding. Er is naar het oordeel van de rechtbank evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij bij haar aanvraag wel degelijk nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft aangedragen. Daarbij heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de diagnose NAH niet hetzelfde is als AVM. Uit de brief van de neuroloog van 28 februari 2017 blijkt volgens haar bovendien dat haar klachten wel degelijk zijn toegenomen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 16 mei 2014, zoals dat is gehandhaafd bij besluit van 10 september 2014, beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden zal worden getoetst of het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven het besluit van 16 mei 2014 te herzien. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, en van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat nieuw gebleken feiten ook bewijsstukken zijn van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. De desbetreffende overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en navolgbaar heeft toegelicht dat in 2014 ook gesproken had kunnen worden van NAH, maar dit niets toevoegt aan wat in 2014 al was beschreven. Hij heeft uiteengezet dat NAH een term is waarmee een niet aangeboren hersenafwijking kan worden aangeduid, of deze nu klinische betekenis heeft of niet en of deze nu gerelateerd is aan beperkingen of niet. Daarom is de enkele omstandigheid dat nu gesproken wordt over NAH volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet als nieuw feit aan te merken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder onderschreven dat de geheugenklachten van appellante merkbaar zijn toegenomen. Hij heeft er echter ook op gewezen dat deze toename van klachten na 2014 is opgetreden. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In wat appellante heeft aangevoerd is daarnaast geen grond gelegen om te oordelen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.4.

In wat appellante heeft aangevoerd zijn ook geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat herziening voor de toekomst had moeten plaatsvinden op grond van de zogenoemde duuraanspraken-jurisprudentie (uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1).

4.5.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) A.L. Abdoellakhan