Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
19/372 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van het besluit van 10 november 2011 en verzoek om herziening voor de toekomst terecht afgewezen. Geen nieuw gebleken of veranderde omstandigheden. Beluit niet evident onredelijk. Ook het oordeel van de rechtbank over toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO en het recht op een WAO-uitkering met ingang van een datum in de toekomst, evenals de overwegingen waarop dat oordeel berust, kan worden onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 372 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2018, 17/4431 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 september 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Horstink hoger beroep ingesteld.

Vervolgens heeft mr. R.N. van der Ham, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Bij brief van 1 april 2019 heeft appellante nadere stukken ingediend.

Bij brief van 2 april 2019 heeft mr. Van der Ham bericht dat hij zich onttrekt als gemachtigde van appellante en dat deze de procedure zal voortzetten.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 april 2020 heeft appellante nadere stukken ingediend, waarop het Uwv bij brief van 1 juli 2020 heeft gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellante, laatstelijk werkzaam als wasserijmedewerker voor gemiddeld 10 uur per week is met ingang van 9 mei 1990 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Bij besluit van 12 april 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 juni 2006 ingetrokken op grond van de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 3 april 2016 minder dan 15% was. Bij besluit van 28 november 2006 is het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2006 gegrond verklaard en is de WAO-uitkering ongewijzigd voortgezet maar alsnog met ingang van 9 oktober 2006 ingetrokken. Bij uitspraak van 13 december 2007, ECLI:NL:BRUTR:2007:4259, heeft de rechtbank Utrecht het beroep van appellante tegen het besluit van 28 november 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3875, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.2.

Op 21 augustus 2009 heeft appellante een formulier “Melden van verslechterde gezondheid” bij het Uwv ingediend. Bij besluit van 30 oktober 2009 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de arbeidsongeschiktheid van appellante per mei 2009 niet is toegenomen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor zij eerder een WAO‑uitkering heeft ontvangen. Bij besluit van 24 maart 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 oktober 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 1 februari 2011 (10/1462) het beroep van appellante tegen het besluit van 24 maart 2010 ongegrond verklaard.

1.3.

Appellante heeft zich per mei 2011 gemeld bij het Uwv wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 10 november 2011 heeft het Uwv de aanvraag van appellante om een WAO-uitkering afgewezen, omdat haar arbeidsongeschiktheid per 29 mei 2011 niet is toegenomen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor zij eerder een WAO-uitkering heeft ontvangen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 23 maart 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 november 2012 heeft de rechtbank Utrecht (12/1638) het beroep van appellante tegen besluit van 23 maart 2012 ongegrond verklaard. Deze uitspraak van de rechtbank is door de Raad bevestigd bij zijn uitspraak van 30 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2582. Het verzoek om herziening van deze uitspraak is door de Raad afgewezen bij zijn uitspraak van 30 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3326.

1.4.

Onder bijvoeging van medische informatie is bij brief van 28 november 2016 het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 10 november 2011. Bij besluit van 27 december 2016 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn besluit van 10 november 2011. Bij besluit van 18 september 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 december 2016 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op een rapport van 15 september 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Daarin is het volgende overwogen: “Bij heroverweging in bezwaar zijn er nieuwe medische feiten naar voren gekomen namelijk dat er bij belanghebbende sprake is van kaakklachten, maar daarmee zie ik geen toename van beperkingen voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak als voorheen. Immers in het verleden zijn er geen beperkingen aangenomen als gevolg van kaakklachten. Daarnaast is niet onomstotelijk vast met medische gegevens onderbouwd, komen te staan dat haar kaakklachten te relateren zijn aan het ongeval/val in het verleden.”

2.1.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals hiervoor onder 1.4 weergegeven, was naar het oordeel van de rechtbank tegenstrijdig en niet duidelijk. Daarom heeft de rechtbank – met beslissingen over vergoeding van het griffierecht en proceskosten –het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Die vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord.

2.2.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, vastgesteld dat het verzoek van appellante van 28 november 2016 moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 10 november 2011 en als een verzoek om herziening voor de toekomst.

2.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv kan worden gevolgd in zijn standpunt dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 juni 2018 naar voren komt dat de kaakklachten, het ijzertekort en slaapproblemen van appellante niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Over de kaakklachten is opgemerkt dat deze klachten ten opzichte van de situatie in mei 2011 steeds meer op de voorgrond treden. In de huisartsenjournaals is in de verwijzing naar de neuroloog geen melding gemaakt van kaakklachten die al in mei 2011 zouden bestaan dan wel toegenomen zouden zijn. In het rapport van de verzekeringsarts van 9 november 2011 worden kaakklachten wel gemeld, maar deze verzekeringsarts heeft daarvoor geen beperkingen aangenomen, waaruit volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden afgeleid dat de klachten niet dermate ernstig waren dat deze hebben bijgedragen aan de arbeidsongeschiktheid. De rechtbank en de Raad hebben destijds deze conclusie gevolgd. Omdat de kaakklachten in 2011 al zijn meegenomen in de beoordeling of appellante recht heeft op een WAO-uitkering, kan volgens de rechtbank niet worden gesproken over nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Over het ijzertekort heeft de rechtbank overwogen dat uit de brief van de MDL-arts van 19 mei (lees: november) 2015 naar voren komt dat bij appellante ongeveer 15 jaar sprake is van ijzergebrek. Appellante gebruikt hiervoor ook medicatie, ferrogradumet. In het rapport van de verzekeringsarts van 9 november 2011, waarop het besluit van 11 november 2011 is gebaseerd, wordt het gebruik van dit middel vermeld, zodat het ijzergebrek geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. De rechtbank heeft over de slaapproblemen overwogen dat uit de stukken van de somnoloog van 25 juli 2016 en 30 augustus 2016 niet blijkt van de slaapproblemen op de datum in geding. De slaapproblemen hebben geen rol kunnen spelen bij het besluit van 11 november 2011 en kunnen niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden worden aangemerkt. Over de in beroep door appellante ingediende stukken heeft de rechtbank overwogen dat sommige van die stukken al zijn meegenomen in de vorige procedure in 2011 en dat op de andere – eerst in beroep – ingediende stukken geen acht kan worden geslagen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het Uwv heeft dan ook terecht geen aanleiding hoeven zien om het oorspronkelijke besluit te herzien.

2.4.

Voor zover appellante met haar verzoek heeft beoogd een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid te doen en voor zover de aanvraag van appellante betrekking heeft op de toekomst heeft de rechtbank geconcludeerd dat bij het oorspronkelijke besluit terecht geen WAO-uitkering is toegekend, zodat geen aanleiding bestaat dat besluit voor de toekomst te herzien. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 26 juni 2018 over de kaakklachten heeft gesteld dat deze ten opzichte van de situatie in mei 2011 in de loop van de tijd meer naar voren komen, althans meer op de voorgrond. Dat de kaakklachten zijn te relateren aan de val van appellante in 2005 staat echter niet met medische gegevens vast, aldus de verzekeringsarts. In anatomische zin is geen sprake van afwijkingen, dus ook niet als gevolg van de val. Volgens de verzekeringsarts kan dan ook niet worden gesproken van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het Uwv hierin niet te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele opmerking van de behandelend tandarts-gnatholoog in de brief van 28 januari 2016 daartoe onvoldoende, omdat daaruit niet blijkt dat sprake is van een causaal verband tussen de val en de kaakklachten, maar slechts dat er mogelijk sprake is van invloed van de val op de kaakklachten. Over de slaapproblemen heeft de rechtbank overwogen dat deze geen bespreking behoeven, omdat deze er op de datum in geding niet waren. Over het ijzergebrek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 26 juni 2018 opgemerkt dat hiervoor op het gebied van het maagdarmstelsel geen verklaring wordt gevonden en dat deze klachten niet eerder als ziekteoorzaak zijn aangemerkt. Een toename van deze klachten komt ook niet naar voren uit de stukken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten. Appellante meent dat er wel degelijk sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die toegenomen arbeidsongeschiktheid op dezelfde ziekteoorzaak rechtvaardigen. Bij brief van 1 april 2019 heeft appellante een brief van 8 juli 2011 van kaakchirurg Frenken in het geding gebracht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit met juistheid, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, geconcludeerd dat het verzoek van appellante moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 10 november 2011 en als een verzoek om herziening voor de toekomst.

4.1.1.

Met zijn uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing van de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd.

4.1.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich bij het bestreden besluit terecht, zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden beluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.1.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten en omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten en

omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn bewijsstukken van al eerder gestelde feiten en omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.1.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante bij haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in voormelde zin heeft vermeld. Het oordeel van de rechtbank dat appellante geen nieuwe medische informatie heeft ingediend die ziet op haar gezondheidssituatie in mei 2011 wordt onderschreven. Ook anderszins heeft appellante geen argumenten naar voren gebracht die als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt. In wat appellante heeft aangevoerd wordt verder geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besteden besluit evident onredelijk is.

4.2.

Ook het oordeel van de rechtbank over toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO en het recht op een WAO-uitkering met ingang van een datum in de toekomst, evenals de overwegingen waarop dat oordeel berust, kan worden onderschreven. In hoger beroep zijn geen andere gezichtspunten naar voren gebracht dan in beroep.

4.3.

Hierin ligt besloten dat de in hoger beroep ingediende brief van 8 juli 2011 van kaakchirurg Frenken niet tot een ander oordeel leidt. Het Uwv heeft terecht opgemerkt dat deze brief al bekend was en bij de oordeelsvorming is betrokken.

4.4.

Gelet op overwegingen 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Graveland