Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
19/221 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is voor een groot deel een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De stelling van appellant dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wordt niet gevolgd. De rechtbank heeft de informatie, die Novadic-Kentron bij brief van 30 mei 2018 over appellant heeft gegeven, terecht niet meegenomen in de aangevallen uitspraak. Het Uwv mocht het verzoek van appellant dan ook afwijzen onder verwijzing naar zijn besluit van 26 augustus 2015. In de gegevens in het dossier ziet de Raad ook geen aanknopingspunten om te oordelen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Gelet op de motivering van het besluit van 26 augustus 2015 biedt hetgeen appellant heeft aangevoerd voor zodanig oordeel onvoldoende onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 221 WIA

Datum uitspraak: 24 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 december 2018, 18/862 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C.A.M. van der Meer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 30 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meer en zijn begeleider [A]. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als afwasser voor ongeveer 36 uur per week. Op 2 juli 2013 heeft hij zich ziek gemeld met handklachten. Later heeft appellant ook melding gemaakt van psychische klachten, voortkomend uit verslavingsproblematiek en middelengebruik. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 26 augustus 2015 geweigerd aan appellant met ingang van 30 juni 2015 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 2 juli 2015 ten grondslag. Ook heeft het Uwv informatie van Novadic Kentron van 21 augustus 2015 over appellant nog betrokken bij dit besluit. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat was ingediend.

1.2.

Op 14 mei 2016 heeft appellant zich bij het Uwv gemeld met toegenomen psychische klachten. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 14 juli 2016 aan appellant met ingang van 2 mei 2016 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.

1.3.

Op 27 februari 2017 heeft appellant een herzieningsverzoek bij het Uwv ingediend, omdat hij meent dat hij reeds per 30 juni 2015 volledig arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 19 april 2017 heeft het Uwv het verzoek om herziening afgewezen, omdat het verzoek geen nieuwe informatie bevat. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Op 16 juni 2017 heeft het Uwv een brief van de behandelaars van appellant van de Dubbele-Diagnose afdeling van GGz Breburg en Novadic Kentron te [plaatsnaam] van 13 juni 2017 ontvangen. Deze brief is door het Uwv opgevat als een herzieningsverzoek. Bij besluit van 28 juli 2017 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, omdat het verzoek geen nieuwe informatie bevat. Aan dit besluit ligt een rapport van 28 juli 2017 van een arts van het Uwv ten grondslag. Bij besluit van 6 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juli 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 1 maart 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Het Uwv heeft geconcludeerd dat geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen die tijdens het primaire onderzoek niet bekend konden zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De juistheid van de stelling van appellant dat zijn gezondheidssituatie op 30 juni 2015 dezelfde was als op 2 mei 2016 en dat het daarom onbegrijpelijk is dat hem per 2 mei 2016 wel een WIA-uitkering is toegekend en per 30 juni 2015 niet, kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Appellant had de informatie over zijn gezondheidssituatie in een procedure tegen het besluit van 26 augustus 2015 naar voren kunnen brengen. Ook heeft het Uwv terecht geoordeeld dat de informatie van GGz Breburg van 27 december 2016 en van Novadic Kentron van 21 augustus 2015 en 8 februari 2018 geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat. Bij het besluit van 26 augustus 2015 is al rekening gehouden met de beperkingen van appellant op grond van een psychische stoornis door multiple drugs. Uit de door appellant overgelegde stukken blijkt niet van nieuwe inzichten omtrent zijn medische problematiek op 30 juni 2015. De rechtbank heeft verder overwogen dat de door appellant in beroep overgelegde gegevens door het Uwv terecht niet zijn beoordeeld, nu nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden uiterlijk in de bezwaarfase naar voren gebracht dienen te worden. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Raad van 11 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:891). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het besluit van 26 augustus 2015 evident onjuist is. Op 30 juni 2015 was de medische situatie van appellant niet beter of slechter dan op 2 mei 2016. Pas tijdens de bezwaarprocedure tegen het besluit van 28 juli 2017 is appellant bekend geworden met het feit dat zijn behandelaars van Novadic Kentron in een zeer laat stadium en op basis van onvolledige en onjuiste informatie het Uwv met de brief van 21 augustus 2015 op de hoogte hebben gesteld van zijn problematiek en beoogde behandeling. In beroep heeft Novadic Kentron bij brief van 30 mei 2018 appellant laten weten dat de medische informatie die heeft geleid tot het toekennen van de WIA-uitkering per 2 mei 2016 ook in het kader van de aanvraag per 30 juni 2015 aan het Uwv verstrekt had kunnen worden. Deze informatie heeft appellant al tijdens de bezwaarprocedure bij Novadic Kentron opgevraagd, maar is pas tijdens de beroepsprocedure door Novadic Ketron aan hem verstuurd. Het kan appellant daarom niet worden verweten dat hij deze informatie pas in beroep heeft ingebracht.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het verzoek van appellant van 16 juni 2017 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 26 augustus 2015. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitsraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden wordt verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is voor een groot deel een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.5.

De stelling van appellant dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wordt niet gevolgd. De aanvullende informatie, die Novadic-Kentron bij brief van 30 mei 2018 over appellant heeft gegeven, heeft appellant pas in beroep ingebracht. Er wordt geen reden gezien af te wijken van de vaste rechtspraak van de Raad dat met nieuwe feiten die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren worden gebracht, bij de rechterlijke toetsing van met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluiten geen rekening kan worden gehouden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB3594). Dat appellant de informatie pas tijdens de beroepsprocedure heeft ontvangen, betekent niet dat hij niet eerder over deze stukken had kunnen beschikken, indien hij deze eerder had opgevraagd. De rechtbank heeft deze informatie daarom terecht niet meegenomen in de aangevallen uitspraak.

4.6.

Het Uwv mocht het verzoek van appellant dan ook afwijzen onder verwijzing naar zijn besluit van 26 augustus 2015. In de gegevens in het dossier ziet de Raad ook geen aanknopingspunten om te oordelen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Gelet op de motivering van het besluit van 26 augustus 2015 biedt hetgeen appellant heeft aangevoerd voor zodanig oordeel onvoldoende onderbouwing. Uit de door appellant nader ingediende medische informatie kan niet – zoals appellant heeft gesteld – worden afgeleid dat de informatie van Novadic Kentron van 21 augustus 2015 onjuist is. In de brieven van Novadic Kentron van 21 augustus 2015 en 30 mei 2018 wordt immers dezelfde diagnose vermeld. Daarbij komt dat de reden voor de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant per 2 mei 2016 met name is gelegen in het feit dat appellant per die datum in behandeling was. Daarvan was op 30 juni 2015 geen sprake.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) L.E. König