Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2282

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
18/4899 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:6098, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eerstejaars ZW-beoordeling. Beëindiging ZW-uitkering. Appellant wordt in staat geacht meer dan 65% te kunnen verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4899 ZW

Datum uitspraak: 24 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

26 juli 2018, 17/2403 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. M.J. Hüsen en S. El Mathari als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker distributiecentrum voor gemiddeld 31,17 uur per week. Op 26 november 2015 heeft hij zich ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Op dat moment ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant met ingang van 21 december 2015 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een arts van het Uwv appellant op 26 september 2016 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 november 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vier functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 84,22% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 24 november 2016 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 25 december 2016 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 maart 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Wat appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellant hebben gemist. De klachten van appellant waren bekend en zijn door de verzekeringsartsen betrokken in hun beoordeling. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat in het eerste ziektewetjaar zijn rugklachten zijn verergerd en dat gelet daarop ten onrechte op diverse items in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen geen dan wel te lichte beperkingen zijn aangenomen. Volgens appellant is niet deugdelijk gemotiveerd waarom geen beperking is aangenomen op het item 5.9, afwisseling van houding, en waarom op de items 4.18/4.19, 5.1/5.2 en 5.3/5.4 de meeste lichte beperking is aangenomen. Ter onderbouwing heeft appellant verwezen naar het protocol Lumbosacraal radiculair syndroom. In het protocol wordt bijzondere aandacht gevraagd voor de combinatie van zitten en staan tijdens werk. Daarbij is de afzwakking van de beperkingen van appellant ten opzichte van de eerdere ziektewetbeoordeling van 2 februari 2016 onvoldoende gemotiveerd. De gestelde afwisseling in zitten, staan en lopen verwordt tot een fictie, nu appellant geschikt is geacht voor een volledig zittende functie zonder staan of lopen, te weten in de functie van machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) en een functie die hoofdzakelijk staand en lopend wordt uitgevoerd, te weten de functie van medewerker intern transport (SBC-code 111220).

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de artsen van het Uwv. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en terecht geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

4.3.

Daaraan wordt het volgende toegevoegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 20 februari 2017 en 20 juli 2017 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om verdergaande beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat een protocol een hulpmiddel is en dat een verzekeringsarts moet uitgaan van de door de betrokkene in het concrete geval genoemde klachten en ervaren belemmeringen. Het Uwv heeft terecht opgemerkt dat pas in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling de belastbaarheid van appellante met een FML in kaart is gebracht, zodat van een afzwakking van de belastbaarheid geen sprake is. Daarbij komt dat appellant in hoger beroep geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn beperkingen zijn onderschat. Verder is in de FML rekening gehouden met de door appellant ervaren belemmeringen bij lang lopen, zitten, staan en zwaar tillen. Volgens het CBBS gaat het bij het beoordelingspunt 5.9, afwisseling van houding, uitdrukkelijk niet om de gebruikelijke afwisseling in zitten, staan en lopen zoals die al ontstaat bij het scoren op die beoordelingspunten. Met een score op dit beoordelingspunt geeft de verzekeringsarts aan dat het voor de betrokkene noodzakelijk is in zijn werk lichaamshoudingen in een specifieke volgorde af te wisselen. Daarvoor is op basis van de medische gegevens in het dossier geen aanleiding.

4.4.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant in de functies van productiemedewerker industrie, machinaal metaalbewerker en medewerker intern transport niet wordt overschreden. In beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 7 augustus 2017 nog uitvoerig en inzichtelijk toegelicht dat in de functie van machinaal metaalbewerker het zitten tijdens alle werkuren substantieel wordt onderbroken door lopen en staan en dat in de functie van medewerker intern transport de belastbaarheid op de beoordelingspunten staan en lopen niet wordt overschreden.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020.

(getekend) M.E. Fortuin

De griffier is verhinderd te ondertekenen