Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2277

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
19/801 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu de minister geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank, dat gedraging 3 onvoldoende is komen vast te staan, gaat het in deze procedure nog om beoordeling door de Raad van gedragingen 1, 2 en 4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant voornoemde gedragingen heeft begaan en dat deze gedragingen als (ernstig) plichtsverzuim moeten worden aangemerkt. Niet is gebleken dat deze gedragingen appellant niet zijn toe te rekenen. De minister was daarom bevoegd hem een disciplinaire straf op te leggen. De opgelegde maatregel van ontslag is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het is verder aan de werkgever en niet aan appellant om terzake een risico-inschatting te maken. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen omdat appellant geen begin van bewijs heeft aangedragen dat de door hem bedoelde gevallen vergelijkbaar zijn met zijn situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2020/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 801 AW

Datum uitspraak: 24 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

14 januari 2019, 18/946 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.F. Adolf hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Adolf. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. C.M. Prade, J. Lutteke en G.T. Stam.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking

getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

1.2.

Appellant was vanaf 1996 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI),

laatstelijk, sinds 1 augustus 2007, als [functie] bij de Penitentiaire Inrichting (PI) [plaatsnaam]. Tijdens politieonderzoek naar gedragingen van een personeelslid van een andere PI is uit een telefoontap gebleken dat appellant op 31 augustus 2016 telefonisch contact heeft gezocht en gehad met B., nadat laatstgenoemde kort daarvoor was vrijgekomen uit de PI [plaatsnaam]. Zij hebben tijdens dat telefoongesprek afgesproken elkaar te ontmoeten. Die dag hebben zij elkaar daadwerkelijk ontmoet. Op 5 september 2016 hebben zij weer telefonisch contact gehad. Op 12 juni 2017 hebben het afdelingshoofd leefafdeling en de vestigingsdirecteur (M.) een gesprek met appellant gevoerd, waarin hem is voorgehouden dat er harde aanwijzingen zijn dat hij contact heeft gehad met ex-gedetineerden buiten de inrichting. Aan appellant is meegedeeld dat daarnaar verder onderzoek zal worden gedaan, en hem is vanaf dat moment de toegang tot de PI [plaatsnaam] ontzegd. De resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapport van Bureau Integriteit van de DJI van 26 juli 2017, zijn voor de minister aanleiding geweest om, nadat hij op 25 augustus 2017 zijn voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant daarop zijn zienswijze had gegeven, appellant bij besluit van 29 september 2017 met ingang van diezelfde datum wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

Aan het plichtsverzuim is ten grondslag gelegd dat appellant

  1. privé contact onderhoudt en/of heeft onderhouden of heeft gehad met de (ex-)gedetineerde B. en dat hij deze verboden contacten niet bij zijn leidinggevende of ander bevoegd gezag heeft gemeld;

  2. privé contact heeft en/of heeft onderhouden met personen uit de privékring van een (ex-)justitiabele en dat hij deze verboden contacten niet heeft gemeld bij zijn leidinggevende of ander bevoegd gezag;

  3. heeft nagelaten bij zijn leidinggevende of ander bevoegd gezag melding te doen van het kennen van meerdere gedetineerden en het hebben van (verboden) contacten met hen terwijl hij weet wat zijn verplichtingen op grond van de Gedragscode DJI 2009 (Gedragscode) zijn en wat daarbij van hem verwacht wordt;

  4. niet de waarheid heeft verteld ten overstaan van zijn leidinggevende en de vestigingsdirecteur tijdens het gesprek op 12 juni 2017.

1.3.

Bij besluit van 9 februari 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 29 september 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat appellant (telefonisch) contact heeft gehad met (ex-)gedetineerde B. en met diens vader en dat appellant een soort vaderfiguur voor B. was. Evenmin is in geschil dat appellant hiervan geen melding heeft gemaakt bij de minister. Gelet hierop konden gedragingen 1 en 2 aan het besluit ten grondslag worden gelegd. De derde gedraging kon niet aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Dat sprake is van het kennen van en het hebben van (verboden) contacten met andere (ex-)gedetineerden dan B. is naar het oordeel van de rechtbank op basis van de stukken niet aannemelijk gemaakt. Voor de gedraging onder 4 wijst de rechtbank op het verslag van het gesprek van 12 juni 2017. Volgens dit verslag heeft M. meegedeeld dat zij harde aanwijzingen heeft waaruit blijkt dat appellant contacten heeft gehad met (ex-)gedetineerden buiten de PI [plaatsnaam] en dat deze contacten zowel telefonisch als fysiek waren. Gelet op deze mededeling had appellant moeten beseffen dat M. in ieder geval doelde op zijn contacten met B. Appellant heeft tijdens dit gesprek echter verklaard dat hij geen contacten had met (ex-)gedetineerden, in ieder geval niet buiten de PI [plaatsnaam]. Appellant heeft tijdens dit gesprek dus niet de waarheid verteld, zodat deze gedraging aan het besluit ten grondslag kon worden gelegd. Dit betekent dat de gedragingen onder 1, 2 en 4 terecht zijn aangemerkt als plichtsverzuim. De stelling van appellant dat de Gedragscode DJI van 3 november 2009 niet duidelijk is, onderschrijft de rechtbank niet. Uit deze Gedragscode volgt dat een relatie tussen appellant en B. in beginsel niet was toegestaan en dat appellant deze relatie alsmede zijn contacten met B. had moeten melden. Dit geldt ook voor de contacten met de vader van B.

Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen, nu hij ten aanzien van de door hem genoemde gevallen onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van gelijke gevallen. Tot slot acht de rechtbank de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.2.

Nu de minister geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank, dat gedraging 3 onvoldoende is komen vast te staan, gaat het in deze procedure nog om beoordeling door de Raad van gedragingen 1, 2 en 4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant voornoemde gedragingen heeft begaan en dat deze gedragingen als (ernstig) plichtsverzuim moeten worden aangemerkt. De Raad overweegt daartoe het volgende.

4.3.1.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant B. en diens familie kende uit de tijd dat hij in Amsterdam woonde en dat B. van 31 augustus 2012 tot 5 februari 2013, van 6 januari 2015 tot 25 maart 2015 en van 26 mei 2016 tot 29 juni 2016 in de PI [plaatsnaam], deels op de afdeling waar appellant werkzaam was, heeft verbleven. Ook staat vast dat appellant in ieder geval in 2016 meerdere malen contact had met ex-gedetineerde B. en dat hij dit, in strijd met het bepaalde in de Gedragscode niet gemeld heeft aan zijn leidinggevende of ander bevoegd gezag. Daardoor heeft appellant het voor het bevoegd gezag onmogelijk gemaakt een afweging ter zake te maken (vergelijk de uitspraak van 8 maart 2018, ECLI:CRVB:2018:771).

4.3.2.

Gedraging 2 ziet met name op het feit dat appellant ook de vader van B. al sinds lange tijd kende. Zo heeft appellant onder meer verklaard dat hij op het geboortefeest van B. is geweest. Dat het contact nadien minder frequent is geworden neemt niet weg dat appellant hiervan melding had moeten maken, in ieder geval toen hij B. herkende tijdens diens verblijf in de PI [plaatsnaam]. Dat hij deze melding niet heeft gedaan is strijdig met de Gedragscode en kan worden aangemerkt als plichtsverzuim.

4.3.3.

Appellant heeft bij het gesprek op 12 juni 2017 desgevraagd door M. tot tweemaal toe ontkend dat hij contact heeft gehad met (ex-)gedetineerden, daardoor heeft hij niet de waarheid gesproken, nu uit het onderzoek is gebleken dat hij in ieder geval met B. zowel telefonisch als fysiek contact heeft gehad. Hij had dit contact bij het gesprek op 12 juni 2017 moeten melden.

4.4.

Niet is gebleken dat deze gedragingen appellant niet zijn toe te rekenen. De minister was daarom bevoegd hem een disciplinaire straf op te leggen.

4.5.

De opgelegde maatregel van ontslag is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Hierbij is van belang dat voor medewerkers van de DJI bijzondere eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid gelden met het oog op de veiligheid binnen de DJI. Het is evident dat het hebben van verboden contacten in de zin van de Gedragscode de veiligheid van de betrokkene zelf en ook die van zijn collega’s in gevaar kan brengen. Het is verder aan de werkgever en niet aan appellant om terzake een risico-inschatting te maken. Appellant heeft door zijn gedragingen potentiële veiligheidsrisico’s voor zichzelf, en ook voor collega’s en de inrichting miskend. Appellant had, zeker ook gezien zijn lange dienstverband, moeten beseffen dat hij de contacten met B. en diens vader had moeten melden toen hij B. tegenkwam in de PI [plaatsnaam]. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen omdat appellant geen begin van bewijs heeft aangedragen dat de door hem bedoelde gevallen vergelijkbaar zijn met zijn situatie. Onder deze omstandigheid lag het dan ook niet op de weg van de minister om nadere bijzonderheden van de betreffende gevallen te verstrekken.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) M. Stumpel