Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
19/918 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door de dienstauto zonder toestemming te gebruiken voor woon-werkverkeer en privégebruik en hier na waarschuwing mee door is gegaan. Gesteld noch gebleken is dat het plichtsverzuim appellant niet valt toe te rekenen. Het college was dus bevoegd appellant een disciplinaire straf op te leggen. De Raad deelt het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2020/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 918 AW

Datum uitspraak: 24 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 januari 2019, 18/2161 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Verspaandonck, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verspaandonck. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.H.E. van Veeren.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

1.1.

Appellant was sinds 1 februari 2008 werkzaam bij de gemeente Rotterdam, laatstelijk in de functie van [functie] bij de afdeling [afdeling] van de [onderdeel], cluster [cluster].

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat er sprake was van ongebruikelijk hoog brandstofverbruik van de door appellant gebruikte dienstauto met kenteken [kenteken], heeft op 4 mei 2017 tussen appellant en zijn leidinggevende M een gesprek plaatsgevonden. Daarin is hem meegedeeld dat de track & trace gegevens van het betreffende voertuig worden opgevraagd en dat hij de dienstauto vanaf de volgende werkdag niet meer voor woon-werkverkeer mocht gebruiken. Tijdens een gesprek op 17 mei 2017 is gebleken dat appellant de dienstauto nog steeds gebruikte voor woon-werkverkeer naar zijn toenmalige woonplaats in België. Tijdens dit gesprek is appellant, omdat er nader onderzoek naar zijn gebruik van de dienstauto moest plaatsvinden, met onmiddellijke ingang geschorst alsmede de toegang tot alle werklocaties en panden van de gemeente Rotterdam en tot geautomatiseerde systemen ontzegd. Dit is schriftelijk vastgelegd in een besluit van 18 mei 2017. Nadat de track & trace gegevens van de door appellant gebruikte dienstauto waren ontvangen, hebben op 30 mei 2017 en 3 juli 2017 verantwoordingsgesprekken met appellant plaatsgevonden, in het bijzijn van zijn (toenmalige) raadsman.

1.3.

Na daartoe een voornemen kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 16 augustus 2017 op grond van de artikelen 78 en 79, eerste lid, aanhef en onder j, van het Ambtenarenreglement Rotterdam (AR) aan appellant met ingang van 17 augustus 2017 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door de dienstauto in de periode van 22 november 2016 tot 17 mei 2017 in strijd met artikel 3, vijfde lid, van de Regeling woon-werkverkeer bedrijfsvoertuigen 2015 (Regeling) zonder toestemming te gebruiken voor woon-werkverkeer en privégebruik en hier na waarschuwing mee door is gegaan.

1.4.

Bij besluit van 9 maart 2018 (bestreden besluit), heeft het college het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 16 augustus 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Overwogen is dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Van appellant mocht, mede gelet op zijn functie, verwacht worden dat hij op de hoogte was van de geldende regels over het gebruik van de dienstauto. Zelfs nadat hem was aangezegd dat hij de dienstauto niet meer mocht gebruiken voor woon-werkverkeer, is appellant daarmee doorgegaan. Het gebruik heeft zich gedurende een langere periode voorgedaan en heeft zich niet alleen tot woon-werkverkeer uitgestrekt maar ook tot privégebruik. Het college heeft het belang van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid van de ambtenaren die in dienst zijn bij de gemeente Rotterdam zwaarder mogen laten wegen dan het belang van appellant bij behoud van zijn functie.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.2.

Dat wat door appellant aan het hoger beroep ten grondslag is gelegd is in essentie een herhaling van de door hem in beroep aangevoerde gronden. Deze gronden zijn in de aangevallen uitspraak aan de orde gesteld en door de rechtbank gemotiveerd verworpen. De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en maakt die tot de zijne. De Raad voegt daaraan het volgende toe.

4.3.

In de Regeling is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald. Het college bepaalt of de inzet van een bedrijfsvoertuig ten behoeve van woon-werkverkeer door een medewerker gewenst en zakelijk verantwoord is en geeft in voorkomende gevallen schriftelijk toestemming. De medewerker dient hiertoe een aanvraagformulier in te leveren en er wordt een gebruikersovereenkomst opgesteld, waarin onder andere de rechten en plichten van de medewerker worden vastgelegd. Voor het gebruik van een bedrijfsvoertuig voor woon-werkverkeer wordt een eigen bijdrage op het salaris van de medewerker ingehouden. De reiskosten vergoeding voor woon-werkverkeer komt alsdan te vervallen. Privégebruik van een bedrijfsvoertuig is niet toegestaan. De medewerker dient voorafgaand aan het moment dat op grond van deze regeling gebruik wordt gemaakt van een bedrijfsvoertuig een “Verklaring geen privégebruik” van de Belastingdienst ontvangen te hebben en een kopie daarvan aan Roteb Lease te verstrekken.

4.4.

Appellant heeft betoogd dat hij toestemming had om de dienstauto te gebruiken voor woon-werkverkeer. De Raad volgt appellant niet in dit betoog. In het dossier bevindt zich geen enkel stuk waaruit blijkt dat aan appellant de in de Regeling bedoelde toestemming is verleend. Daarenboven is de Raad uit de door het college overgelegde salarisstroken gebleken dat appellant steeds een vergoeding voor woon-werkverkeer ontving en dat op zijn salaris geen inhouding voor gebruik van een bedrijfsvoertuig als bedoeld in de Regeling plaatsvond.

4.5.

Dat volgens appellant het privégebruik van het bedrijfsvoertuig beperkt is gebleven tot 1288 kilometer leidt niet tot een ander oordeel, nu privégebruik ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Regeling in het geheel niet is toegestaan.

4.6.

Gelet op de eigen verklaring van appellant in het gesprek op 30 mei 2017 dat hij de dienstauto op 8 mei 2017 nog gewoon heeft gebruikt voor woon-werkverkeer, omdat collega K dit ook mocht, alsmede de verklaring van afdelingshoofd V dat appellant toen hij na het schorsingsgesprek op 17 mei 2017 de dienstauto had ingeleverd, alternatief vervoer naar huis moest regelen en vervolgens door iemand is opgehaald, is aannemelijk dat appellant ook na de waarschuwing op 4 mei 2017 nog gebruik is blijven maken van een dienstauto voor woon-werkverkeer. Dat het hier een vervangend voertuig betrof waarvan geen track & trace gegevens beschikbaar zijn, maakt dit niet anders.

4.7.

Gesteld noch gebleken is dat het plichtsverzuim appellant niet valt toe te rekenen. Het college was dus bevoegd appellant een disciplinaire straf op te leggen.

4.8.

De Raad deelt het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en T. Avedissian en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Stumpel

AMBTENARENREGLEMENT ROTTERDAM

Disciplinaire straffen

Artikel 78

De ambtenaar kan wegens plichtsverzuim disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van hetgeen een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 79

1. De disciplinaire straffen zijn:

a. schriftelijke berisping;

b. buitengewone dienst, op andere dagen dan zon- en feestdagen, zonder beloning of tegen een lagere dan de normale bezoldiging;

c. vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren waarop in het desbetreffende jaar aanspraak bestaat;

d. eenmalige inhouding op de bezoldiging van een bedrag van maximaal 1% van het salaris per jaar;

e. het niet toekennen van een periodieke verhoging gedurende ten hoogste vier jaar;

f. vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen gedurende ten hoogste twee jaar;

g. plaatsing in een andere betrekking voor bepaalde of onbepaalde tijd met of zonder vermindering van bezoldiging;

h. terugstelling in rang danwel indeling in een salarisklasse waarvoor een lager maximumsalaris geldt dan dat verbonden aan de salarisklasse welke ingevolge de van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, een en ander al dan niet voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging;

i. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging;

j. ontslag.

2. Bij het opleggen van de straf, behalve van die bedoeld in het eerste lid onder a, kan worden bepaald dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de ambtenaar zich gedurende een bij het opleggen van de straf te bepalen termijn van ten hoogste drie jaar niet opnieuw schuldig maakt aan een soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.