Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2265

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
18/279 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Geen melding gemaakt van huur bedrijfspand waarvan de huur plus de huurwoning plus energiekosten al de bijstandsnorm overstegen. Recht niet meer vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 279 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 22 september 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2017, 17/3923 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.M. Rijkhoff, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. V.C. van der Velde heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.B. Lisi, kantoorgenoot van mr. Van der Velde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 13 november 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een ontvangen kopie van een onderzoeksdossier van de Politie Eenheid Noord-Holland (politie) dat in een pand op het adres X (pand) op 28 april 2016 een hennepkwekerij is aangetroffen en appellant de huurder was van dit pand, heeft een sociaal rechercheur werkzaam bij de gemeente Amsterdam (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur de van de politie verkregen informatie bestudeerd. Tevens heeft de sociaal rechercheur appellant opgeroepen voor een verhoor. Appellant heeft, na overleg tussen zijn gemachtigde en de sociaal rechercheur, afgezien van dit verhoor. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal uitkeringsfraude van 5 december 2016 (rapportage).

1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 16 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 mei 2017 (bestreden besluit), de bijstand van appellant te herzien (lees: in te trekken) over de periode van 13 november 2013 tot en met 28 april 2016 en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 34.609,01 van appellant terug te vorderen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de huur van het pand en de hennepkwekerij. Nu appellant geen administratie heeft bijgehouden over de exacte omvang van de kweek, de oogsten en de opbrengsten daarvan, kan het college het recht op bijstand niet vaststellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant betrokken is geweest bij de hennepkwekerij, maar wel dat appellant in de periode van 13 november 2013 tot en met 28 april 2016 het pand heeft gehuurd en hiervoor huurpenningen heeft voldaan. Door van het bestaan van de huurovereenkomst geen melding te maken heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Appellant betaalde vanaf november 2013 in totaal € 1.294,12 per maand aan huur en energie van zowel zijn huurwoning als het pand. Hierbij is nog geen rekening gehouden met verzekeringen, boodschappen en andere reguliere uitgaven zoals die in het dagelijks leven worden gedaan. Appellant heeft in de periode van 13 november 2013 tot en met 28 april 2016 echter geen enkele keer bijstand van meer dan € 1.000,- per maand ontvangen. Appellant heeft geen plausibele verklaring gegeven over de wijze waarop hij in deze periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien en evenmin een administratie of boekhouding bijgehouden, dan wel bankafschriften overgelegd op grond waarvan het recht op (aanvullende) bijstand (alsnog) zou kunnen worden vastgesteld. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 13 november 2013 tot en met 28 april 2016.

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.4.

In geschil is of appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geschonden door niet te melden dat hij het pand heeft gehuurd.

4.5.

Appellant heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de huurovereenkomst niet kan bijdragen aan het aannemelijk maken van de huur van het pand door appellant, omdat geen sprake is van een rechtsgeldige huurovereenkomst. Volgens de huurovereenkomst was de verhuur geregeld via onroerend goed beheer A. Appellant heeft echter de facturen voor de huur van het pand ontvangen van de eigenaar van het pand B en de huur ook betaald aan (het bedrijf van) B. Appellant is met B nooit een schriftelijke huurovereenkomst aangegaan.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Onderdeel van het dossier is een “huurovereenkomst kantoorruimte”, die op 21 september 2012 is ondertekend door appellant in de hoedanigheid van huurder. In de huurovereenkomst is A als verhuurder aangemerkt, waarbij A optreedt als “gemachtigde van de eigenaren”. De huurovereenkomst is op 25 september 2012 door de verhuurder ondertekend. Dit is ook overeenkomstig de verklaring van eigenaar B bij de politie als getuige op 27 mei 2016, zoals neergelegd in een proces-verbaal van verhoor getuige van 27 mei 2016, dat hij het pand via A met ingang van 25 september 2012 heeft verhuurd aan appellant. De omstandigheid dat appellant de facturen voor de huur van het pand van B ontving en ook de huur aan B betaalde maakt niet dat de huurovereenkomst niet rechtsgeldig was. B is immers onbetwist de eigenaar van het pand. A was volgens de huurovereenkomst weliswaar de verhuurder, maar enkel als gemachtigde van B.

4.7.

Appellant heeft verder aangevoerd dat, indien wel sprake is van een rechtsgeldige huurovereenkomst, het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant gedurende de gehele te beoordelen periode de huurder was van het pand en de huurpenningen heeft voldaan. De huur van het pand door appellant is in ieder geval eind 2014 tot een einde gekomen.

4.8.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Volgens de in 4.6 genoemde huurovereenkomst is appellant de overeenkomst aangegaan voor de duur van drie jaar, ingaande op 1 oktober 2012 en lopende tot en met 30 september 2015. Verder blijkt uit de huurovereenkomst dat deze, na het verstrijken van voornoemde periode wordt voortgezet voor een aansluitende periode van twee jaar. Dit is overeenkomstig de verklaring van B bij de politie. Volgens B is de overeenkomst met appellant aangegaan voor de duur van drie jaar en is na het verstrijken van deze periode de huur stilzwijgend verlengd voor een periode van twee jaar. B had appellant ontmoet bij het tekenen van het huurcontract bij A. Het verdere contact liep voornamelijk via e-mail. De verklaring van B wordt bevestigd door een aantal e-mailberichten tussen appellant en B in januari en februari 2013 en september en november 2014 over de huur van het pand dat onderdeel uitmaakt van het dossier. B heeft verder verklaard dat appellant de huur stortte op de bankrekening van het bedrijf van B en sinds 2015 ook regelmatig contant betaalde door middel van een envelop in de brievenbus op het huisadres van B. Ook kwam het wel eens voor dat appellant een periode niet betaalde en dan meerdere maanden in één keer. Dit wordt bevestigd door een e-mail van appellant aan B van 12 november 2014, waarin appellant aan B heeft laten weten dat hij die dag de huur heeft gestort van september, oktober en november. Ook heeft appellant in diezelfde e-mail medegedeeld aan B dat hij de loods nu deelde met een kennis/collega, waardoor het overzetten van het contract niet meer hoefde. Gelet hierop lag het op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat, in afwijking van de huurovereenkomst, hij niet gedurende de gehele te beoordelen periode de huurder van het pand was. Nu appellant zijn stelling niet met verifieerbare stukken heeft onderbouwd is appellant hierin niet geslaagd. De enkele stelling dat B als eigenaar van het pand belang had om bij het onderzoek door de politie naar de hennepkwekerij te verklaren zoals hij heeft gedaan is in ieder geval onvoldoende.

4.9.

Appellant heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het enkele aangaan van een huurovereenkomst geen informatie is die redelijkerwijs nodig is voor de vaststelling van het recht op bijstand. Het staat een uitkeringsgerechtigde immers vrij om te doen met zijn geld wat hij wil en het enkele aangaan van een civiele overeenkomst zegt niets over de middelen die beschikbaar zijn.

4.10.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het pand betrof volgens de huurovereenkomst een bedrijfsruimte en mocht door de huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als zodanig. Uit de aard en bestemming van het pand moet worden afgeleid dat appellant het pand heeft gehuurd met het oogmerk inkomsten te verwerven. De huur van het pand is daarmee een voor de bijstand relevant gegeven, waarvan appellant mededeling had moeten doen.

4.11.

De stelling dat appellant de huur van het bedrijfspand bij zijn aanvraag om bijstand heeft gemeld wordt niet gevolgd. Het college heeft dit betwist en het blijkt ook niet uit de stukken van het college. Appellant heeft zijn stelling niet met verifieerbare stukken onderbouwd.

4.12.

Uit 4.5 tot en met 4.11 volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.13.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige, dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.14.

Appellant is hierin niet geslaagd. In de te beoordelen periode bedroeg de maandelijkse huur van het pand € 692,12. De huur van de woning van appellant bedroeg in deze periode € 472,- per maand. Daarnaast betaalde appellant € 130,- per maand aan energiekosten. Appellant betaalde in de te beoordelen periode dus in totaal € 1.294,12 per maand aan huur en energie van zowel zijn huurwoning als het pand. Dit terwijl appellant gedurende deze periode enkel bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande ter hoogte van maximaal € 1.000,- per maand. In dat geval ligt het op de weg van appellant om zijn financiële situatie inzichtelijk te maken. Appellant heeft verklaard dat hij de huur van het pand heeft betaald van in 2014 ontvangen inkomsten uit de verkoop van kunst van zijn overleden partner. Volgens appellant is dit ten tijde van de bijstandsaanvraag in 2014 ook besproken. Hiervoor zijn echter geen aanknopingspunten te vinden in het dossier en appellant heeft zijn stelling ook anderszins niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Hierdoor is de financiële situatie van appellant onduidelijk gebleven en kan het recht op (aanvullende) bijstand niet worden vastgesteld.

4.15.

Uit 4.1 tot en met 4.14 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van Y. Al Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2020.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) Y. Al Qaq