Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
18/5877 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:8458, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd terug te komen van eerder genomen besluit. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Besluit niet evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5877 ZW

Datum uitspraak: 23 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2018, 18/1181 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.E. Stout, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op

12 augustus 2020. Daaraan hebben deelgenomen appellante, mr. Stout en M. Snoek (tolk), en J.C. van Beek namens het Uwv.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was voor 40 uur per week via een uitzendbureau werkzaam als productiemedewerker, toen zij op 26 september 2016 uitviel wegens zwangerschapsklachten. Het dienstverband is op 5 oktober 2016 geëindigd. Het Uwv heeft appellante vervolgens in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Van 29 november 2016 tot en met 7 maart 2017 heeft appellante een uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Op 20 november 2016 is zij bevallen van een zoon. Aansluitend op de WAZO-uitkering heeft appellante zich op 8 maart 2017 ziekgemeld met rugklachten en klachten aan haar linkerarm en hand.

1.2.

Naar aanleiding van een spreekuurcontact op 12 april 2017 heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat appellante niet meer arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap en/of bevalling en zij vanaf 19 april 2017 weer arbeidsgeschikt is. Bij besluit van 12 april 2017 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 13 april 2017 niet langer arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Bij besluit van eveneens 12 april 2017 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 19 april 2017 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de ZW. Bij besluit van 21 april 2017 is de ZW-uitkering van appellante met ingang van 13 april 2017 verlaagd van 100% naar 70%. Tegen deze besluiten heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Op 22 augustus 2017 heeft appellante het Uwv verzocht de besluiten van 12 april 2017 en het besluit van 21 april 2017 te herzien. Appellante heeft daarbij informatie van de behandelend sector ingezonden. In zijn rapport van 30 augustus 2017 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van nieuwe feiten. Bij besluit van 18 september 2017 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van de besluiten van 12 april 2017 en het besluit van 21 april 2017. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 december 2017, bij besluit van 12 januari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte is aangenomen dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat het Uwv ten onrechte niet is overgegaan tot herziening van de besluiten van 12 april 2017 en het besluit van 21 april 2017. Indien de overgelegde medische informatie geen nova betreft in de zin van artikel 4:6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), volgt uit de rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:5115) dat het vasthouden aan voornoemde besluiten evident onredelijk zou zijn, gelet op het feit dat dat het Uwv de klachten onjuist heeft beoordeeld. De klachten zijn weliswaar onderzocht, maar onderschat omdat de klachten zijn verergerd. Zowel het Uwv als de rechtbank hebben dit miskend.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.2.

Het verzoek van appellante van 22 augustus 2017 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluiten van 12 april 2017 en van zijn besluit van 21 april 2017. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderede omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en omstandigheden wordt verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Ter ondersteuning van haar verzoek heeft appellante aangevoerd dat haar klachten zijn verergerd en deze verergering van de klachten destijds niet aan de beoordeling ten grondslag is gelegd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante informatie overgelegd van een plastisch chirurg van 31 juli 2017, van een neurochirurg van 3 mei 2017 en een journaal van de huisarts van 31 mei 2017 en 7 augustus 2017.

4.5.

De rechtbank en het Uwv hebben met juistheid geoordeeld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De verzekeringsarts was destijds op de hoogte van de rug- en de hand/polsklachten van appellante. Uit het onderzoek van 12 april 2017 volgt dat bij lichamelijk onderzoek de klachten uitgebreid zijn onderzocht, maar dat de klachten van appellante niet medisch geobjectiveerd konden worden. De verzekeringsartsen hebben kennis genomen van de door appellante bij haar verzoek overgelegde medische informatie. Daaruit blijkt dat de klachten aan de rug tendomyogeen van aard zijn en dat de hand/polsklachten van appellante na de datum in geding, medio mei 2017, zijn toegenomen. De verzekeringsartsen worden gevolgd in hun conclusie dat die informatie niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, omdat de verstrekte informatie geen gegevens bevat waaruit blijkt dat de gezondheidstoestand van appellante op de data in geding anders was dan beoordeeld door de verzekeringsartsen.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het Uwv het verzoek van appellante heeft mogen afwijzen met verwijzing naar de besluiten van 12 april 2017 en het besluit van 21 april 2017.

4.7.

In wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De in het verzoek van appellante vermelde klachten en in het dossier aanwezige medische gegevens bieden geen onderbouwing voor het standpunt van appellante dat destijds evident onredelijke besluiten zijn genomen.

5. Uit wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) A.L. Abdoellakhan