Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
18/5488 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:8330, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting bijstand. Niet verschijnen op uitnodigingen. Op grond van verklaringen van handhavingsmedewerkers is aannemelijk dat het besluit bij appellante in de brievenbus is gedaan. Bezwaar tegen opschorting was te laat gemaakt. Intrekking houdt stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5488 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 22 september 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 oktober 2018, 18/1937 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Shaaban, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Namens appellante is verschenen mr. Shaaban. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M. Codrington.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

In verband met een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand is appellante bij brief van 10 november 2017 uitgenodigd voor een gesprek op 13 november 2017 en verzocht bescheiden mee te nemen, waaronder recente bankafschriften, verzekeringspolissen en stukken omtrent de woonsituatie van appellante (stukken). Appellante is niet verschenen en heeft de stukken niet overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 13 november 2017 (opschortingsbesluit) heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van die datum opgeschort en appellante uitgenodigd voor een gesprek op 16 november 2017, waarbij zij wederom is verzocht de eerder gevraagde stukken mee te nemen. Ook op deze uitnodiging is appellante niet verschenen. De stukken zijn ook toen niet overgelegd.

1.4.

Bij besluit van 16 november 2017 (intrekkingsbesluit) heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW het recht op bijstand met ingang van 13 november 2017 ingetrokken.

1.5.

Bij besluit van 5 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het opschortingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante het opschortingsbesluit heeft ontvangen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de termijnoverschrijding van het bezwaar tegen het opschortingsbesluit niet verschoonbaar is en verder dat appellante het bij het opschortingsbesluit geconstateerde verzuim verwijtbaar niet heeft hersteld, zodat het college bevoegd was de bijstand van appellante in te trekken.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellante, zoals ter zitting nader toegelicht, als grond aangevoerd dat zij het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het college aannemelijk heeft gemaakt dat het opschortingsbesluit is ontvangen op het adres van appellante. Appellante heeft aangevoerd dat de enkele stelling van het college dat het betreffende besluit door twee medewerkers persoonlijk in de brievenbus van appellante is gedeponeerd, hiertoe niet toereikend is.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7532) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7796), kan het in een brievenbus deponeren van een besluit voor de toepassing van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht worden vergeleken met een niet-aangetekende verzending per post. Daarom is het bij betwisting van die deponering aan het college om aannemelijk te maken dat het opschortingsbesluit daadwerkelijk bij appellante is bezorgd. Vergelijk de uitspraak van 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3411.

4.3.

Uit de rapportage van 16 november 2017 blijkt dat het opschortingsbesluit van 13 november 2017, na geen gehoor bij aanbellen, door twee medewerkers van Project heronderzoeken is gedeponeerd in de brievenbus op het adres van appellante. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat de betreffende medewerkers handhavingsspecialisten zijn. In een door beide handhavingsspecialisten ondertekende verklaring zijn de datum en het tijdstip vermeld waarop zij het opschortingsbesluit hebben bezorgd. Appellante heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van die verklaring, zodat op grond daarvan aannemelijk is dat appellante het opschortingsbesluit heeft ontvangen. Dat in de verklaring de functie van de betrokken ambtenaren niet is vermeld en dat deze verklaring niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, doet, anders dan appellante heeft gesteld, op zichzelf aan de betrouwbaarheid van die verklaring niet af.

4.4.

Gelet op het voorgaande is de bezwaartermijn aangevangen op 14 november 2017, zodat het bezwaarschrift van 8 januari 2018 tegen het opschortingsbesluit te laat is ingediend. Van redenen waarom deze termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, is niet gebleken. Het college heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante niet op het gesprek van 16 november 2017 is verschenen en evenmin dat zij de door het college gevraagde stukken niet heeft overgelegd en dus is niet in geschil dat appellante het in het opschortingsbesluit geconstateerde verzuim niet heeft hersteld. De beroepsgrond dat appellante hiervan geen verwijt kan worden gemaakt omdat zij het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen, kan, gelet op wat onder 4.2 en 4.3 is overwogen, niet slagen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2020.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.B. Beerens