Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2234

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
18/5578 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien bijstand met toepassing kostendelersnorm. College is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zwaartepunt van persoonlijk leven van C op uitkeringsadres was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5578 PW, 19/2795 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 22 september 2020

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 13 september 2018, 18/1248 (aangevallen uitspraak 1) en 15 mei 2019, 18/6314 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften en op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten wonen op adres X in Apeldoorn. Zij ontvangen sinds 1 juli 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de kostendelersnorm waarbij is uitgegaan van twee kostendelende medebewoners. Als kostendelende medebewoners zijn aangemerkt hun zonen A en B.

1.2.

Appellant heeft in juli 2017 gemeld dat zijn zonen A en B op 25 respectievelijk 26 juli 2017 zijn verhuisd naar een ander adres in [gemeente] , adres Y. Naar aanleiding van deze melding heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de woonsituatie van appellanten. Op 26 september 2017 heeft een onaangekondigd huisbezoek op adres X plaatsgevonden. Daarbij werden de zoons A en B slapend aangetroffen. Ook werd een derde zoon C slapend aangetroffen. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapportage van 2 oktober 2017.

1.3.

Bij besluit van 6 oktober 2017 heeft het college de bijstand met ingang van 12 september 2017 herzien. Het college heeft de kostendelersnorm toegepast en is daarbij uitgegaan van drie kostendelende medebewoners, namelijk A, B en C.

1.4.

Bij besluit van 23 januari 2018 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 6 oktober 2017 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft, onder herroeping van het besluit van 6 oktober 2017 en vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, de bijstand van appellanten over 25 juli 2017 herzien naar de kostendelersnorm waarbij is uitgegaan van één kostendelende medebewoner. Verder heeft het college met ingang van 26 juli 2017 de bijstand herzien naar de norm voor gehuwden en met ingang van 12 september 2017 weer naar de kostendelersnorm uitgaande van één kostendelende medebewoner. Volgens het college hebben A en B vanaf 25 respectievelijk 26 juli 2017 niet langer hun hoofdverblijf in de woning van appellanten en heeft C vanaf 12 september 2017 daar wel zijn hoofdverblijf.

1.5.

Op 3 april 2018 hebben appellanten telefonisch doorgegeven dat er vanaf 24 oktober 2017 geen kinderen meer op hun adres wonen. C staat vanaf die datum in de Basisregistratie personen ingeschreven op adres Z in [gemeente] .

1.6.

Bij besluit van 24 mei 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 oktober 2018 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand met ingang van 3 april 2018 herzien naar de gehuwdennorm. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten op de genoemde datum hebben gemeld dat C sinds 24 oktober 2017 niet meer op hun adres woont. Er zijn volgens het college geen bijzondere omstandigheden aanwezig die rechtvaardigen de herziening met ingang van 24 oktober 2017 te laten ingaan.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening vanwege toepassing kostendelersnorm (18/5578 PW)

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het college bij bestreden besluit 1 de bijstand van appellanten met ingang van 12 september 2017 terecht heeft herzien van de gehuwdennorm naar de kostendelersnorm waarbij is uitgegaan van één kostendelende medebewoner. De te beoordelen periode loopt hier van 12 september 2017 tot en met 6 oktober 2017.

4.2.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat C gedurende de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het adres van appellanten. Tijdens het huisbezoek op 26 september 2017 werd C aangetroffen in de woning van appellanten. Appellant heeft toen verklaard dat C sinds twee weken tijdelijk bij hen inwoont. Verder heeft appellant verklaard dat de kleren in de kast van de slaapkamer waar C sliep, van C waren en dat ook de boeken die op die kamer stonden, van C waren.

4.3.

Appellanten bestrijden dat C gedurende de hier te beoordelen periode een kostendelende medebewoner van appellanten was. Volgens appellanten had C niet zijn hoofdverblijf op het hun adres. C was bezig met het regelen van een woning voor zijn gezin in Nederland. Op dat moment zat zijn gezin nog in Jordanië. Ook had C amper persoonlijke spullen bij zich. Het college heeft nagelaten verder onderzoek te doen, terwijl de bewijslast op hem rust.

4.4.

Artikel 19a, eerste lid, van de PW, bepaalt, voor zover van belang:

“In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft (…)”.

4.5.

Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Behalve de aanwezigheid van de betrokkene in de betreffende woning, zijn ook feiten en omstandigheden van belang die een licht werpen op de leefwijze van de betrokkene, zoals de plaats waar hij zijn post ontvangt en behandelt, waar hij zijn administratie bewaart, waar zijn kleding en verzorgingsproducten en andere persoonlijke spullen zich bevinden en waar hij zijn vrienden en familie ontvangt. Vergelijk de uitspraak van 5 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3467.

4.6.

Het besluit tot toepassing van de kostendelersnorm is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het bijstandverlenend orgaan de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. Op het bijstandverlenend orgaan rust in beginsel de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van de kostendelersnorm is voldaan. Dit betekent dat het college in beginsel aannemelijk moet maken dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van C gedurende de hier te beoordelen periode zich bevond in de woning van appellanten.

4.7.

Het college is hierin niet geslaagd. Tijdens het huisbezoek op 26 september 2017 is C in de woning van appellanten aangetroffen. Appellant heeft toen verklaard dat C sinds twee weken bij appellanten verblijft, dat hij vier jaar geleden naar Engeland is vertrokken, daar één jaar heeft verbleven en daarna naar Jordanië is verhuisd. C is daar getrouwd en heeft twee kinderen gekregen. Zijn kinderen hebben een Nederlands paspoort. C wil zijn kinderen en zijn vrouw naar Nederland halen. Appellant heeft verder verklaard niet te weten hoe lang C bij appellanten zal verblijven maar dat de verwachting is dat dit een á twee weken is. Ook heeft appellant verklaard dat de kleding in de kledingkast op de kamer waar C sliep van C is en dat die kleding er al vier jaar hangt. C is met één koffer naar Engeland vertrokken zodat veel van zijn kleding in de woning van appellanten is achtergebleven. Ook de boeken in de boekenkast op de kamer waar C sliep zijn van C. Tijdens het huisbezoek heeft appellant op de vraag of C verzorgingsartikelen in de woning heeft staan, geantwoord dat C een tandenborstel in de badkamer heeft staan, maar verder niet. Naar het oordeel van de Raad zijn de bevindingen van het huisbezoek niet toereikend om op grond daarvan te concluderen dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van C zich bevond op het adres van appellanten. Niet is gebleken dat het college ander onderzoek heeft gedaan om vast te stellen of C zijn hoofdverblijf had op het adres van appellanten.

4.8.

Wat in 4.7 is overwogen betekent dat bestreden besluit 1 voor zover dat ziet op de toepassing van de kostendelersnorm met ingang van 12 september 2017 niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd. De Raad ziet, gelet op het tijdsverloop, geen mogelijkheden dat dit gebrek door het verrichten van nader onderzoek kan worden hersteld. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad daarom – met gegrondverklaring van het beroep – bestreden besluit 1 vernietigen voor zover daarbij de bijstand met ingang van 12 september 2017 is herzien van de gehuwdennorm naar de kostendelersnorm.

Afwijzing aanvullende bijstand met terugwerkende kracht (19/2795 PW)

4.9.

Uit 4.5 vloeit voort dat het college op basis van het in stand gebleven deel van bestreden besluit 1 aan appellanten vanaf 12 september 2017 bijstand naar de gehuwdennorm moet betalen. Dat brengt mee dat het niet nodig was dat het college naar aanleiding van de melding van appellanten van 3 april 2018 het besluit nam de bijstand van appellanten te herzien van de kostendelersnorm uitgaande van één kostendelende medebewoner naar de gehuwdennorm. Dat besluit dient daarom ongedaan te worden gemaakt. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat aangevallen uitspraak 2 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad – met gegrondverklaring van het beroep – bestreden besluit 2 vernietigen. De Raad ziet ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 24 mei 2018 te herroepen.

(Proces)kostenveroordeling

5.1.

Aanleiding bestaat het college in zaak 18/5578 PW te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 525,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.575,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank en 1 punt voor het hoger beroepschrift).

5.2.

Aanleiding bestaat het college in zaak 19/2795 PW te veroordelen in de kosten van bezwaar van appellanten tot een bedrag van € 525,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift). Tevens bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 525,- in beroep en € 525,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het hoger beroepschrift). De kostenveroordeling bedraagt in totaal € 1.575,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

18 5578 PW

  • -

    vernietigt aangevallen uitspraak 1;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 januari 2018 voor zover daarbij de bijstand met ingang van 12 september 2017 is herzien van de gehuwdennorm naar de kostendelersnorm uitgaande van één kostendelende medebewoner;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 1.575,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt

19 2795 PW

  • -

    vernietigt aangevallen uitspraak 2;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 oktober 2018;

  • -

    herroept het besluit van 24 mei 2018;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.575,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2020.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) S.H.H. Slaats