Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
18/6548 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken, terugvorderen en boete. Niet gemeld dat appellante vrijelijk kon beschikken over de gelden op de bankrekening van X. Feitelijk gebruik van bankpas van X. College heeft ten aanzien van hoogte van de boete zelf de beslagvrije voet verhoogd naar 95%, zodat lagere boete wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6548 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 22 september 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

21 december 2018, 18/1397 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.M. van Delden.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 april 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor verblijf in een inrichting.

1.2.

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft het college appellante een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting. Appellante had niet gemeld dat zij structureel giften ontving van X, welke giften als inkomsten aangemerkt dienden te worden.

1.3.

Naar aanleiding van een melding van de politie dat bij appellante op 2 januari 2017 een contant geldbedrag van € 1.720,- is aangetroffen, heeft de sociale recherche IJssel-Vechtstreek (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht en afschriften van de bankrekeningen van appellante en X opgevraagd en geanalyseerd. Vervolgens heeft de sociale recherche appellante op

14 november 2017 verhoord en X op 16 november 2017 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 november 2017.

1.4.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 22 februari 2018 (besluit 1) de bijstand van appellante over de periode van 21 augustus 2015 tot en met 16 november 2017 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.030,85 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in de periode van

21 augustus 2015 tot en met 16 november 2017 vrijelijk de beschikking had over gelden afkomstig van de bankrekening van X. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door daarvan geen melding te maken, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.5.

De onder 1.4 vermelde schending van de inlichtingenverplichting is voor het college tevens aanleiding geweest om bij besluit van 3 april 2018 (besluit 2) appellante een boete op te leggen van € 1.785,78.

1.6.

Bij besluit van 26 juli 2018 (bestreden besluit), heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard. Het college heeft de boete in verband met de financiële omstandigheden van appellante verlaagd naar

€ 567,97. Het college is daarbij uitgegaan van normale verwijtbaarheid, heeft bij de bepaling van de hoogte van de boete rekening gehouden met het feit dat sprake is van recidive en heeft de hoogte van de boete, rekening houdend met de draagkracht van appellante, vastgesteld op achttien maal 10% van de voor appellante geldende norm voor verblijf in een inrichting.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 21 augustus 2015 tot en met 16 november 2017.

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

Gelet op het aanvullende karakter van de bijstand wordt in artikel 31, eerste lid, van de PW een ruime definitie gehanteerd van het begrip middelen. Tot de middelen worden in beginsel alle inkomens- en vermogensbestanddelen gerekend die kunnen worden aangewend voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Het gaat niet alleen om de middelen waarover de betrokkene feitelijk beschikt, maar ook om die middelen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Dit vloeit voort uit de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De term beschikken moet zo worden uitgelegd dat dit ziet op de mogelijkheid voor de betrokkene om een bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van

23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086).

4.4.

Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode feitelijk heeft beschikt over de bankpas van de bankrekening van X en met deze bankpas bedragen heeft gepind, contante bedragen heeft gestort op deze bankrekening, van deze bankrekening bedragen naar derden heeft overgemaakt, en voor haar bestemde bedragen van derden heeft ontvangen. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet de beschikking heeft gehad over de tegoeden van de bankrekening van X, omdat zij slechts in opdracht en steeds met toestemming van X heeft gehandeld. Zij heeft X een vriendendienst verleend en de gelden niet voor zichzelf gebruikt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat brengt mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De bankrekening van X was niet (mede) op naam van appellante gesteld. Echter, onder omstandigheden kan het feitelijk gebruik van een bankrekening door een betrokkene, ook indien die bankrekening niet op zijn naam is gesteld, leiden tot het oordeel dat die betrokkene redelijkerwijs over de tegoeden op die rekening kon beschikken (bijvoorbeeld de uitspraken van 7 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN7848 en van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1992). Die situatie doet zich hier voor. Zowel appellante als X hebben verklaard dat appellante in de te beoordelen periode veelvuldig gebruik heeft gemaakt van de bankpas van X. Appellante haalde het salaris van X steeds van de bankrekening van X zodra dit was bijgeschreven en heeft deze bedragen contant opgenomen. Appellante heeft verder verklaard dat zij veelvuldig contante bedragen heeft gestort op de bankrekening van X en daarbij gebruik heeft gemaakt van de bankpas van X. Over het door de politie op 2 januari 2017 bij appellante aangetroffen contante geldbedrag van € 1.720,- heeft appellante verklaard dat dit geld afkomstig is van de bankrekening van X en dat zij dit in haar tas voor X in bewaring had. Verder blijkt uit de bankafschriften onder meer dat in de te beoordelen periode achtentwintig keer bedragen zijn overgemaakt van de bankrekening van X naar de zus en zwager van appellante. Uit een deel van de omschrijvingen bij deze overboekingen blijkt dat appellante degene is die deze bedragen heeft overgemaakt. De afschrijving naar de rekening van de zus van appellante op 26 mei 2016 vermeldt bijvoorbeeld “Hee moppie M hier heb je 20 euro dikke kus knuffel je zusje R.”. Dat zowel appellante als X hebben verklaard dat ook deze bedragen met toestemming van X zijn overgemaakt, betekent niet dat geen sprake is van het feitelijk gebruik van de bankpas en bankrekening van X door appellante. Daartoe zijn ook de van de huisgenote van appellante op de bankrekening van X ontvangen bedragen van belang. Appellante heeft over deze bedragen verklaard dat de huisgenote het geld op de bankrekening van X overmaakte, omdat appellante onder bewind staat en deze bedragen dan buiten de bewindvoering blijven. Dat aan het gebruik van de bankpas van X en de bankrekening van X door appellante beperkingen waren verbonden is dan ook niet komen vast te staan. De enkele stelling dat appellante handelde in opdracht van X, hem een vriendendienst verleende en de gelden niet voor zichzelf heeft gebruikt, is daartoe niet toereikend. Op grond van deze omstandigheden moet worden aangenomen dat appellante redelijkerwijs kon beschikken over alle middelen op de bankrekening. Appellante is er niet in geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken, zij heeft nagelaten met concrete en verifieerbare stukken te onderbouwen dat zij niet over de tegoeden van deze bankrekening kon beschikken.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat appellante gedurende de te beoordelen periode vrijelijk de beschikking had over het tegoed op de bankrekening van X. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij van het beschikken over deze gelden melding had moeten maken. Nu appellante dit heeft nagelaten, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.7.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.8.

Appellante is hierin niet geslaagd. De enkele stelling van appellante dat zij de gelden van de bankrekening van X niet voor zichzelf heeft gebruikt en er zelf niet beter van is geworden, is daarvoor niet toereikend.

4.9.

Uit 4.7 en 4.8 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellante in de te beoordelen periode niet is vast te stellen. Dit betekent dat het college gehouden was om de aan appellante verleende bijstand in te trekken.

4.10.

Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking hoeft.

Boete

4.11.

Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de PW legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de inlichtingenverplichting. Van toepassing zijn artikel 18a van de PW en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten, zoals deze met ingang van 1 januari 2017 luiden. Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt voorts verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12.

4.12.

Ingevolge artikel 18a, vijfde lid, van de PW is de boete ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete is opgelegd.

4.13.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het college ook heeft aangetoond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat appellante in de te beoordelen periode vrijelijk de beschikking had over het tegoed op de bankrekening van X. Appellante kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt.

4.14.

Het college is uitgegaan van gewone verwijtbaarheid. Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, omdat zij 24-uurs begeleiding heeft, zij onder bewind staat, niet goed voor zichzelf kan zorgen en zaken onvoldoende overziet. De door appellante aangevoerde omstandigheden bieden onvoldoende aanknopingspunten om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Dat appellante door haar persoonlijke situatie niet in staat is geweest juist en adequaat te handelen, heeft zij niet met concrete en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Dit klemt temeer nu appellante heeft verklaard dat zij voor haar bestemde bedragen (bewust) ontving op de bankrekening van X, zodat deze buiten de bewindvoering zouden blijven.

4.15.

Nu geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid en evenmin van verzwarende omstandigheden, is het college bij de afstemming van de boete op het aspect van verwijtbaarheid terecht uitgegaan van ‘normale’ verwijtbaarheid. Dit betekent dat 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt is bij de afstemming van de boete op het aspect van verwijtbaarheid.

4.16.

Nu de overtreding die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, is begaan binnen vijf jaar na het in 1.2 genoemde boetebesluit van 2 juli 2015, is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 18a, vijfde lid, van de PW voldaan.

4.17.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1525) heeft het college ter zitting een nader standpunt ingenomen, te weten dat in dit geval bij de vaststelling van de hoogte van de boete rekening moet worden gehouden met de draagkracht van appellante en uitgegaan moet worden van een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit betekent dat in lijn met het bestreden besluit, rekening houdend met de draagkracht van appellante, een normale verwijtbaarheid en recidive, de hoogte van de boete op achttien maal 5% van de voor appellante geldende norm, die per 1 juli 2020 € 335,33 bedraagt, moet worden vastgesteld. De hoogte van de boete van

€ 301,80 acht de Raad passend en geboden.

4.18.

Uit 4.17 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak slaagt, zodat deze moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit, voor zover het de hoogte van de boete betreft, vernietigen. Het besluit van

3 april 2018 zal worden herroepen voor zover het de hoogte van de boete betreft. Met toepassing van artikel 8:72a, van de Algemene wet bestuursrecht zal het bedrag van de boete worden vastgesteld op € 301,80.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal een bedrag van € 2.100,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 juli 2018 voor zover het betreft de hoogte van de boete;

- herroept het besluit van 3 april 2018 voor zover het de hoogte van de boete betreft;- stelt het bedrag van de boete vast op € 301,80 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 26 juli 2018;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.100,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en G.M.G. Hink en K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van I.A. Siskina als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2020.

(getekend) M. Hillen

(getekend) I.A. Siskina