Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2222

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
18/3705 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Het medisch onderzoek is zorgvuldig geweest en er bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts getrokken conclusies. Beperkingen niet onderschat. Geschikt om de EZWb-functie van productiemedewerker industrie te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3705 ZW

Datum uitspraak: 23 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2018, 18/200 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Aksu, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via videobellen op 26 augustus 2020. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Aksu. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaker/sloper. Op 30 juni 2014 heeft hij zich ziek gemeld met maag- en rugklachten. Na het einde van het dienstverband heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) hebben een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Een verzekeringsarts heeft de mogelijkheden van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 juni 2015. Een arbeidsdeskundige heeft appellant op basis daarvan in staat geacht tot het verrichten van een drietal voorbeeldfuncties. Berekend is dat hij per 29 juni 2015 meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 19 juni 2015 de ZW-uitkering van appellant per 30 juli 2015 beëindigd.

1.3.

Appellant heeft zich, na een eerdere ziekmelding in 2016, op 11 mei 2017 opnieuw ziek gemeld met rugklachten en klachten aan de rechterarm. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellant heeft op 19 juli 2017 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per datum ziekmelding 11 mei 2017, subsidiair per datum spreekuur 19 juli 2017, geschikt geacht voor tenminste één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies, namelijk de reservefunctie van productiemedewerker industrie. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 20 juli 2017 de ZW-uitkering van appellant beëindigd per 11 mei 2017, subsidiair per 19 juli 2017. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 4 december 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 december 2017 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de uitkomst ervan juist is. Volgens de rechtbank zijn uit de medische onderzoeken voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel over de beperkingen van appellant te kunnen komen. Volgens de rechtbank staat vast dat appellant naast rugklachten al langer bekend is met psychische klachten en klachten aan de rechterarm. Met deze klachten is reeds rekening gehouden in de FML die is opgesteld bij de EZWb. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toereikend gemotiveerd dat de door appellant in beroep ingebrachte medische gegevens geen aanleiding geven voor een ander oordeel. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een deskundige in te schakelen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn gronden van bewaar en beroep gehandhaafd. Hij houdt staande dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn psychische en lichamelijke beperkingen en deze daarom zijn onderschat. Ter onderbouwing van het standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat heeft appellant in hoger beroep een rapport van verzekeringsarts E.C. van der Eijk ingebracht. Uit dit rapport blijkt dat Van der Eijk appellant op fysiek vlak meer beperkt acht dan is vastgesteld en hem niet in staat acht tot het verrichten van de EZWb-functies. Appellant heeft verder medische informatie van de hem behandelend neuroloog, orthopeed en huisarts ingebracht.

3.2.

Het Uwv heeft – onder overlegging van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep – bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die hij

bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.3.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. De rechtbank heeft op overtuigende wijze gemotiveerd waarom die aanleiding niet is gezien. De gronden waarop het oordeel van de rechtbank berust worden onderschreven.

4.4.1.

Aan het door appellant ingebrachte rapport van verzekeringsarts Van der Eijk van 7 mei 2019 kan niet het gewicht worden ontleend dat hij wenst. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.4.2.

Allereerst heeft Van der Eijk zijn conclusies mede gebaseerd op het eigen onderzoek van 1 april 2019. Omdat dit bijna twee jaar na de data in geding is geweest, bieden de resultaten van dit onderzoek geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellant op de data in geding zijn onderschat.

4.4.3.

Ten aanzien van de klachten aan de rechterelleboog heeft Van der Eijk aanleiding gezien appellant verdergaand beperkt te achten op duwen of trekken. Hij heeft zich hierbij enkel gebaseerd op de subjectieve klachtenuiting van appellant en daaraan geen objectieve medische informatie ten grondslag gelegd. Omdat anderszins niet is gebleken van beperkingen aan de rechterelleboog wordt Van der Eijk niet gevolgd in zijn conclusie.

4.4.4.

Ten aanzien van de psychische klachten heeft Van der Eijk overwogen dat hij in de actuele problematiek geen aanleiding ziet de eerder gestelde beperkingen in de FML per data in geding onvolledig te achten. Zijn rapport biedt daarom geen onderbouwing voor het standpunt van appellant dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat.

4.4.5.

Tot slot heeft Van der Eijk het, gezien de doorlopende rugklachten en de door de neuroloog en orthopeed vastgestelde hernia, plausibel geacht dat appellant per data in geding aanvullend beperkt is op frequent buigen, trillingsbelasting/schokken op de onderrug en getordeerd of gebogen actief zijn. Hieraan heeft Van der Eijk ten grondslag gelegd dat het niet aannemelijk is dat er geen rugbeperkingen gelden. Een objectieve medische onderbouwing voor zijn conclusies ontbreekt echter. De medische informatie van de behandelend neuroloog en orthopeed, waaruit blijkt dat appellant lijdt aan een kleine hernia, is hiervoor onvoldoende nu daaruit niet kan worden afgeleid in welke mate appellant hierdoor beperkt is op de data in geding. Ten aanzien van de door Van der Eijk benoemde beperkingen op getordeerd of gebogen actief zijn blijkt uit de rapporten van de verzekeringsartsen dat bij de lichamelijke onderzoeken op 19 juli 2017 en 18 oktober 2017 is geconstateerd dat buigen, flexie (voorover buigen) en rotatie goed gaan. Dit staat haaks op de conclusies van Van der Eijk. Gezien het voorgaande biedt het rapport van Van der Eijk geen onderbouwing voor het standpunt van appellant dat zijn rugbeperkingen zijn onderschat.

4.5.

De door appellant ingebrachte medische informatie van zijn behandelend orthopeed van 28 september 2017 en 3 januari 2018, neuroloog van 14 september 2017 en 8 februari 2018 en huisarts van 4 september 2018 leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 12 oktober 2018 voldoende overtuigend gemotiveerd dat deze informatie geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de beperkingen van appellant op de data in geding van 11 mei 2017, subsidiair 19 juli 2017, zijn onderschat. De informatie bevat ten aanzien van deze data geen nieuwe gezichtspunten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt in zijn conclusie gevolgd.

4.6.1.

De rechtbank wordt tot slot gevolgd in het oordeel dat appellant op de datum in geding in staat kan worden geacht de EZWb-functie van productiemedewerker industrie te verrichten.

4.6.2.

Nu Van der Eijk zich in zijn rapport enkel heeft uitgesproken over de ongeschiktheid van de EZWb-functies van productiemedewerker voedingsmiddelen industrie, sjouwer opperman en schoonmaker interieur autobussen leidt dit rapport niet tot een ander oordeel.

Daarbij wordt overwogen dat uit de functieomschrijving van de functie van

productiemedewerker industrie niet kan worden afgeleid dat sprake is van een zware rugbelasting. Met het tillen van twee kilo kan immers niet worden gesproken van een zware belasting en er is geen sprake van trillingsbelasting of schokken op de onderrug. Duwen of trekken komt niet voor. Er bestaat daarom geen aanleiding de functie van productiemedewerker industrie voor appellant ongeschikt te achten.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D.S. Barthel