Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2215

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
18/4128 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anw-nabestaandenuitkering terecht geweigerd. Postmortale inseminatie. Geen sprake van schending van de in artikel 14 van het EVRM en de andere genoemde verdragsartikelen opgenomen discriminatieverboden. Niet gebleken dat met de weigering om een nabestaandenuitkering toe te kennen een inmenging heeft plaatsgevonden in het gezinsleven van appellante.

De wetgever heeft, afgezien van de uitzondering in artikel 14, derde lid, van de Anw, voor situaties waarin de arbeidsgeschikte nabestaande op het moment van overlijden van de verzekerde geen zorgplicht heeft voor zijn kind, geen recht op nabestaandenuitkering willen doen ontstaan, ongeacht de oorzaak van het ontbreken van die zorgplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/424
NJB 2020/2327
RSV 2020/213
USZ 2020/265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4128 ANW

Datum uitspraak: 17 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 juni 2018, 17/1100 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.D. Farkas-Tromp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Farkas-Tromp. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedatum 1] 1978, is op [trouwdatum] 2009 gehuwd met [naam echtgenoot] ( [echtgenoot] ). [echtgenoot] is op [sterfdatum] 2010 overleden. Na zijn overlijden is appellante door middel van postmortale inseminatie zwanger geraakt van [echtgenoot] en op [geboortedatum 2] 2013 is hun zoon [naam zoon] ( [zoon] ) geboren. Het vaderschap van [echtgenoot] is vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Oost-Nederland van 1 maart 2013. Op 21 oktober 2016 heeft appellante een aanvraag gedaan voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw).

1.2.

Bij besluit van 26 oktober 2016 heeft de Svb deze aanvraag afgewezen, omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op nabestaandenuitkering als bepaald in artikel 14 van de Anw.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 23 januari 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 oktober 2016 ongegrond verklaard. Volgens de Svb heeft appellante op grond van artikel 14 van de Anw in verbinding met artikel 5 van de Anw geen recht op nabestaandenuitkering, omdat [zoon] niet voor of op de dag van overlijden van [echtgenoot] is geboren en appellante op de dag van overlijden ook niet zwanger was van [zoon] . Zij voldoet daarom niet aan de in die artikelen genoemde voorwaarden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank leidt de afwijzing van de aanvraag om een nabestaandenuitkering niet tot een ongerechtvaardigd onderscheid in de zin van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tussen nabestaanden met kinderen die geboren zijn voor of op de dag van overlijden van de verzekerde enerzijds, en nabestaanden met kinderen die verwekt zijn na het overlijden van de verzekerde door middel van postmortale inseminatie anderzijds. Ook het beroep op de algemene rechtsbeginselen faalt, omdat niet is gebleken van niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden welke aanleiding zouden moeten vormen strikte wetstoepassing achterwege te laten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat in de Anw een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt naar het moment van geboorte van het kind of ontstaan van de zwangerschap, waardoor zij anders wordt behandeld dan andere weduwen met een kind van een overleden partner. Zij heeft zich daarbij beroepen op de in artikel 14 van het EVRM, artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) opgenomen discriminatieverboden. Haar situatie is vergelijkbaar met die van weduwen wier kind wel is geboren of verwekt voor het overlijden van de partner, omdat ook appellante door het overlijden van haar partner alleen de zorg draagt voor hun kind. Hieraan kan niet afdoen dat appellante wist dat ze er alleen voor zou komen te staan, omdat dat ook het geval is bij een vrouw die zwanger wordt van een partner die terminaal ziek is, terwijl die vrouw wel recht heeft op een uitkering. [zoon] is een eigen kind van appellante en van [echtgenoot] in de zin van het Burgerlijk Wetboek (BW) en hij moet gelijk behandeld worden met een kind dat wel is geboren of verwekt voor het overlijden van de vader. Er is sprake van een bijzondere situatie die niet is voorzien door de wetgever, omdat de wetgever bij de invoering van de Anw geen rekening heeft gehouden en ook niet kon houden met de mogelijkheid van postmortale inseminatie, omdat deze mogelijkheid pas sinds 1 september 2002 met de inwerkingtreding van de Embryowet wettelijk is vastgelegd. Deze bijzondere situatie heeft de wetgever niet in zijn belangenafweging verdisconteerd, waardoor van de wet kan worden afgeweken en het hiaat door de rechter kan worden ingevuld. Verder heeft appellante nog betoogd dat de weigering om haar een nabestaandenuitkering toe te kennen in strijd komt met artikel 8 van het EVRM, omdat zij wordt beperkt in de uitoefening van haar gezinsleven. Door het ontbreken van een nabestaandenuitkering moet zij meer uren werken die zij anders aan de zorg voor haar zoon had kunnen besteden.

3.2.

De Svb heeft betoogd dat de situatie van appellante niet gelijk is aan die van weduwen die zwanger waren op de dag van het overlijden van de echtgenoot, dan wel waarbij het kind is geboren vóór of op de dag van het overlijden van de verzekerde. De Anw is bedoeld voor nabestaanden die op het moment van overlijden van hun partner bijzonder economisch afhankelijk van hun partner zijn en een financiële tegemoetkoming nodig hebben, aangezien zij er onverwacht alleen voor zijn komen te staan. Zij hebben niet kunnen anticiperen op het overlijden van hun partner. Dit is bij appellante niet het geval. Nu er geen sprake is van gelijke gevallen, wordt niet toegekomen aan de vraag of er sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante een nabestaande is in de zin van de Anw. Wel is in geschil of appellante recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van die wet.

4.1.1.

Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw heeft recht op nabestaandenuitkering de nabestaande die een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort. Op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, van de Anw wordt – voor zover hier relevant – als kind aangemerkt, een eigen kind in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), dat geboren is voor of op de dag van overlijden van de verzekerde. Een kind van wie een vrouw zwanger is op de dag van overlijden van haar echtgenoot, wordt op die dag als reeds geboren aangemerkt. Op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de AKW wordt als eigen kind beschouwd het kind van de vrouw die op grond van artikel 198 van Boek 1 van het BW als zijn moeder wordt aangemerkt en het kind van de man die op grond van artikel 199 van Boek 1 van het BW als zijn vader wordt aangemerkt.

4.1.2.

Op grond van bovenvermelde bepalingen is voor het recht op nabestaandenuitkering van belang dat de nabestaande een (eigen) kind heeft, dat is geboren voor of op de dag van overlijden van de verzekerde of van wie zij zwanger is op de dag van overlijden van haar echtgenoot. Niet in geschil is dat [zoon] een eigen kind is van appellante. Ook is niet in geschil dat [zoon] een eigen kind is van [echtgenoot] . Dit laatste is echter voor het recht op nabestaandenuitkering niet relevant, omdat in de Anw alleen van belang is of de nabestaande een kind heeft in de zin van die wet. Voor het recht op uitkering moet het echter wel gaan om een kind van die nabestaande, dat is geboren voor of op de dag van overlijden van de verzekerde, dan wel een kind van wie de vrouw zwanger was op de dag van overlijden van haar echtgenoot. Van deze situaties is onweersproken geen sprake, zodat appellante op grond van de Anw geen recht heeft op nabestaandenuitkering.

4.2.1.

Appellante heeft met haar betoog een beroep gedaan op de “open norm” van artikel 26 van het IVBPR, artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Van een direct of indirect als verdacht aangemerkt onderscheid, zoals naar geslacht, ras, geboorte of andere persoonlijke karakteristieken is geen sprake. Dat betekent dat aan de Staat een ruime beoordelingsvrijheid (“margin of appreciation”) toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.

4.2.2.

Een beroep op het verbod op discriminatie vereist, wil het beroep kunnen slagen, dat er sprake is van vergelijkbare gevallen. De Anw is een risicoverzekering waarbij het overlijden van de verzekerde het verzekerd risico is. De Anw is gebaseerd op het behoefteprincipe en is gedeeltelijk inkomensafhankelijk. Zoals uit de memorie van toelichting bij de Anw blijkt (Kamerstukken II 1994-1995, 24169, nr. 3, blz. 8) is deze nabestaandenverzekering bedoeld voor een beperkte groep nabestaanden, waaronder nabestaanden met kinderen onder de 18 jaar die door hun zorgplicht voor deze kinderen meer problemen met de combinatie zorg en arbeid hebben dan mensen zonder kinderen en dan ouders die de zorgplicht kunnen delen met een partner. De aard van de verzekering brengt met zich dat van belang is de situatie die zich voordoet op het moment van het intreden van het verzekerd risico, te weten het overlijden van de verzekerde. Op het moment van overlijden van haar echtgenoot had appellante nog niet de zorgplicht voor een kind. Haar situatie onderscheidt zich in zoverre wezenlijk van de situatie van nabestaanden die voor of op de dag van overlijden van hun partner al de zorg hadden voor een kind. Dit betekent dat appellante zich ten tijde van het intreden van het verzekerd risico – het overlijden van haar echtgenoot – niet in een vergelijkbare situatie bevond als een vrouw die al wel de zorg heeft voor haar kind. Dat appellante zich nadat het verzekerd risico zich heeft voorgedaan wel in vergelijkbare omstandigheden bevindt, is in het kader van een risicoverzekering niet van belang. Van ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen kan dan ook niet worden gesproken.

4.2.3.

Uit het voorgaande volgt dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering aan appellante een nabestaandenuitkering op grond van de Anw toe te kennen, niet leidt tot een schending van de in artikel 14 van het EVRM en de andere genoemde verdragsartikelen opgenomen discriminatieverboden.

4.3.

Het beroep dat appellante heeft gedaan op artikel 8 van het EVRM slaagt niet. Niet is in geschil dat appellante met haar zoon [zoon] een gezinsleven heeft als bedoeld in dat artikel. Artikel 8 van het EVRM noch enig ander artikel van dat verdrag garandeert een recht op een socialezekerheidsuitkering. Niet gebleken is dat met de weigering om een nabestaandenuitkering toe te kennen een inmenging heeft plaatsgevonden in het gezinsleven van appellante.

4.4.

Met betrekking tot het beroep dat appellante heeft gedaan op de algemene rechtsbeginselen, overweegt de Raad, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989 (Harmonisatiewetarrest; AB 1989, 207) dat het de rechter niet is toegestaan wetten in formele zin, zoals in casu de Anw, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en dat de rechter voorts niet mag treden in een belangenafweging welke reeds door de wetgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht. Dat er sprake zou zijn van bijzondere niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden, welke volgens diezelfde rechtspraak aanleiding kunnen vormen strikte wetstoepassing achterwege te laten wanneer die toepassing in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel, is in dit geval niet gebleken. De stelling van appellante dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met de sinds 2002 bestaande bijzondere mogelijkheid van postmortale inseminatie, zal op zich juist zijn, maar leidt er niet toe dat hierbij sprake is van niet (impliciet) verdisconteerde omstandigheden. De Raad begrijpt de bijzondere omstandigheden waarin appellante zich bevindt en de emotionele waarde die zij hecht aan een nabestaandenuitkering, maar de Anw is een overlijdensrisicoverzekering waarbij de situatie op het moment van het overlijden van de verzekerde bepalend is voor het recht op uitkering. De wetgever heeft, afgezien van de uitzondering in artikel 14, derde lid, van de Anw, voor situaties waarin de arbeidsgeschikte nabestaande op het moment van overlijden van de verzekerde geen zorgplicht heeft voor zijn kind, geen recht op nabestaandenuitkering willen doen ontstaan, ongeacht de oorzaak van het ontbreken van die zorgplicht.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank terecht het bestreden besluit waarbij aan appellante een nabestaandenuitkering op grond van de Anw is geweigerd, in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt daarom niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en M. Wolfrat en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

De griffier is verhinderd te ondertekenen.