Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2213

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
18/4217 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag Wajong-uitkering terecht opnieuw afgewezen en terecht geweigerd terug te komen van het eerder genomen besluit. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/4217 Wajong

Datum uitspraak: 17 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

18 juli 2018, 18/33 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam], hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020. Namens appellant is

[naam] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1997, heeft met een door het Uwv op

26 oktober 2015 ontvangen formulier een aanvraag Beoordeling arbeidsvermogen ingediend. Daarbij is vermeld dat appellant een licht verstandelijke beperking en psychomotore retardatie ten gevolge van een chromosoomafwijking heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van

8 januari 2016 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen omdat hij arbeidsvermogen heeft. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.2.

Op 15 juni 2017 heeft het Uwv een nieuwe aanvraag van appellant om Wajong-uitkering ontvangen. Daarbij heeft hij een transitiedocument Brede zorgschool de [naam school] van juni 2017 (transitiedocument) ingezonden. Bij besluit van 19 juni 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2017, heeft het Uwv de aanvraag om Wajong-uitkering opnieuw afgewezen en geweigerd terug te komen van het besluit van 8 januari 2016. Aan het besluit van 14 augustus 2017 liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 augustus 2017 ten grondslag. Appellant heeft tegen het besluit van 14 augustus 2017 geen beroep ingesteld.

1.3.

Appellant heeft bij brief van 14 augustus 2017 naar aanleiding van de hoorzitting van

9 augustus 2017 diverse stukken ingestuurd, waaronder een rapport van [X] en

[Y] van 25 april 2016, een diagnostisch verslag van 21 mei 2015 en het transitiedocument. Het Uwv heeft deze brief opgevat als een herzieningsverzoek. Naar aanleiding van dit verzoek heeft een verzekeringsarts dossieronderzoek verricht. Bij besluit van 10 november 2017 heeft het Uwv de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen, omdat er geen nieuwe medische feiten en/of veranderde omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de eerder genomen beslissing onjuist zou zijn.

1.4.

Bij besluit van 15 december 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 november 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 december 2017 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende uitgebreid en ook anderszins een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de vraag of er in medisch opzicht nieuwe feiten en omstandigheden zijn. Het betoog van appellant heeft geen concrete aanknopingspunten geboden om de artsen niet te volgen in hun conclusie dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de verstandelijke beperking van appellant en de chromosoomafwijking bekend zijn bij de verzekeringsartsen en ook bij de vorige twee aanvragen zijn meegewogen. Het transitiedocument kan evenmin als nieuw feit worden aangemerkt, omdat het al bij de eerdere aanvraag van 15 juni 2017 is overgelegd en beoordeeld. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 10 augustus 2017 al vastgesteld dat in het transitiedocument geen nieuwe informatie staat, terwijl hij heeft opgemerkt dat document niet door een (para)medicus is vastgesteld. Nu vaststaat dat appellant de CIZ-indicatie al sinds 2 augustus 2014 heeft, heeft het Uwv dit terecht dit niet als een nieuw feit aangemerkt.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv hem ten onrechte Wajong‑uitkering heeft geweigerd, omdat hij niet beschikt over arbeidsvermogen. Zijn moeder was niet bekend met de wet- en regelgeving en heeft toen geen bezwaar gemaakt tegen het afwijzingsbesluit. Appellant is verstandelijk gehandicapt en is niet in staat te voldoen aan de criteria zoals door de overheid worden gesteld. Hij woont in een intramurale setting en geniet 24-uurs zorg en dagbesteding. Hij heeft hiervoor een CIZ-indicatie 6VG, hetgeen als inhoud heeft begeleiding, verzorging en gedragsregulering. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar het rapport van [X] en [Y] , het transitiedocument en het diagnostisch verslag.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Er wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. De overwegingen die door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd worden onderschreven. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. De Raad voegt daaraan toe dat wat appellant in zijn herzieningsverzoek heeft aangehaald uit het rapport van [X] en [Y] , geen andere feiten zijn dan die reeds in 2015 bij de beoordeling zijn meegenomen. Het Uwv heeft daarom kunnen beslissen dat niet wordt teruggekomen van het besluit van 8 januari 2016. Het feit dat de moeder van appellant heeft nagelaten bezwaar te maken tegen dit besluit, maakt dit niet anders.

4.2.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2020.

(getekend) W.J.A.M van Brussel

(getekend) M. Gravenland