Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2212

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
19/1955 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:1612, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Geen twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Beperkingen niet onderschat. Beroep op het arrest Korošec slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1955 ZW

Datum uitspraak: 17 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 april 2019, 18/6577 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.C.A. Elias-Boot, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Elias-Boot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als woonassistent voor de zorg voor 32 uur per week. Tot en met 31 maart 2018 heeft zij een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet. Zij heeft zich op 4 april 2018 ziek gemeld met klachten van migraine. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Op 7 juni 2018 heeft appellante het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft appellante per 13 juni 2018 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van woonassistent. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 11 juni 2018 vastgesteld dat appellante per 13 juni 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 31 augustus 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 augustus 2018 ten grondslag.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld en ter ondersteuning van haar standpunt informatie van de huisarts en fysiotherapeut ingezonden. In reactie heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 februari 2019 overgelegd.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep is gebleken dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde klachten, waaronder met name de volgens appellante te weinig belichte psychische klachten. De medische objectiveerbaarheid van de gestelde psychische klachten is niet gebleken, waarbij de rechtbank van belang heeft geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nadrukkelijk ook de informatie van de huisarts van appellante in de overwegingen heeft betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Gelet op de volledige en consistente wijze waarop de verzekeringsartsen hebben gerapporteerd en de door appellante overgelegde medische informatie, heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op goede gronden de ZW-uitkering van appellante met ingang van 13 juni 2018 heeft beëindigd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuiste conclusies heeft getrokken ten aanzien van de aanvalsfrequentie van de migraine en de medicatie. De verzekeringsarts heeft met name de migraineklachten beoordeeld in de situatie dat zij medicatie daarvoor gebruikte, terwijl zij op de datum in geding, 13 juni 2018, die medicatie niet meer gebruikte. Daarnaast is onvoldoende rekening gehouden met psychische componenten zoals de stressgevoeligheid van appellante. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante informatie van de neuroloog van 27 juni 2019 en

20 augustus 2019 en van psychologen van Revalis van 5 maart 2020 overgelegd. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij altijd boven haar macht heeft gewerkt en het werk veel te zwaar was voor haar. Appellante is voorts van mening dat haar nek- en schouderklachten zijn onderschat. Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec), heeft appellante verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.1.

De overwegingen van de rechtbank over de medische beoordeling worden onderschreven. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de migraineklachten, medicatie en de psychische componenten onvoldoende zijn meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante psychisch onderzocht en heeft informatie van de huisarts van 22 augustus 2018 kenbaar in haar beoordeling betrokken. In het rapport van

30 augustus 2018 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de in de afgelopen jaren gebruikte medicatie niet wijst op een zeer hoge aanvalsfrequentie van de migraine. Appellante heeft met het gebruik van specifieke medicatie zonder verzuim in haar werk kunnen functioneren. Zonder deze medicatie zijn de aanvallen niet toegenomen. Gelet op het voorgaande heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de migraineklachten op de datum in geding volledig en juist beoordeeld.

4.2.2.

De in hoger beroep overgelegde informatie van de neuroloog en psychologen van Revalis leidt niet tot een andersluidend oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 6 september 2019 onderbouwd dat uit de informatie van de neuroloog geen nieuwe gegevens naar voren zijn gekomen die zien op de datum in geding. De neuroloog heeft geconcludeerd dat er meerdere psychosociale factoren aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de hoofdpijnklachten van appellante en heeft geadviseerd tot psychologische behandeling binnen de GGZ. Uit de voornoemde informatie van de huisarts is niet gebleken van een verslechterde medische toestand. Bij het psychisch onderzoek door de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn evenwel geen cognitieve stoornissen geobjectiveerd, alsook geen aanwijzingen voor psychopathologie of persoonlijkheidsstoornissen. In het rapport van 12 mei 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderbouwd dat door de psychologen van Revalis andere factoren dan ziekte aanwezig geacht zijn die van invloed zijn op de klachten. Er is dan ook geen reden gebleken dat objectief meer psychische beperkingen aanwezig waren op de datum in geding.

4.2.3.

De grond van appellante dat zij boven haar macht heeft gewerkt en dat het eigen werk te zwaar was, slaagt niet. Uit de in het dossier beschikbare stukken is hiervan niet gebleken en appellante heeft deze grond ook niet met aanvullende gegevens onderbouwd.

4.2.4.

Appellante wordt evenmin in het standpunt gevolgd dat haar nek- en schouderklachten zijn onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van

26 februari 2019 onderbouwd dat de ingebrachte informatie van de huisarts en fysiotherapeut geen aanleiding heeft gegeven tot een andersluidend oordeel. Uit de brief van de fysiotherapeut is gebleken dat appellante zich voor behandeling van nek en rechterschouderklachten in november 2018 heeft aangemeld, wat meer dan vijf maanden is na de datum in geding. Daar komt bij dat appellante ten tijde van de ziekmelding geen enkele klacht heeft geuit over nek- en schouderklachten. Uit de informatie van de huisarts is wel gebleken dat appellante in 2016 linkerschouderklachten had, welke volledig los staan van de thans aanwezige nek- en rechterschouderklachten.

4.3.

Het beroep op het arrest Korošec slaagt niet. Appellante heeft in beroep en hoger beroep gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen over haar medische situatie. Deze (medische) stukken zijn naar hun aard geschikt en vormen een redelijke mogelijkheid voor appellante om de bestuursrechter van haar standpunt te overtuigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische informatie beoordeeld en telkens gemotiveerd waarom deze informatie geen grond oplevert voor een ander standpunt over de beperkingen van appellante. Er zijn geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. Daarmee is in dit geval voldaan aan het vereiste van een gelijke procespositie.

4.4.

Nu de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling ontbreekt, wordt geen aanleiding gezien over te gaan tot het inschakelen van een medisch onafhankelijke deskundige.

4.5.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het Uwv op goede gronden de

ZW-uitkering van appellante per 13 juni 2018 heeft beëindigd.

4.4.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop is er geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding en dient deze te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2020.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) M. Graveland