Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
20/2881 ZW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat bij hem sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. Van een acute financiële noodsituatie, die door het treffen van de gevraagde voorziening zou kunnen worden opgeheven, is niet gebleken. Door het tijdsverloop is het ook niet meer mogelijk dat de door verzoeker gewenste re-integratieactiviteiten in het kader van de ZW worden opgestart. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2881 ZW-VV

Datum uitspraak: 11 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[X] B.V.

PROCESVERLOOP

Het Uwv en [X] B.V. hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 april 2020, 19/3670 (aangevallen uitspraak).

Het Uwv heeft het hoger beroep vervolgens ingetrokken.

Op 17 augustus 2020 heeft mr. M.C.A.M. van der Meer, advocaat, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker was werkzaam als medewerker bouw voor [X] B.V.

(ex-werkgever). Deze werkgever is eigenrisicodrager voor de Ziektewet (ZW). Op

27 november 2017 is verzoeker uitgevallen, waarna hij in aanmerking is gebracht voor een ZW-uitkering. Bij besluit van 23 november 2018 heeft het Uwv deze uitkering op 4 mei 2018 beëindigd omdat verzoeker per die datum hersteld is. Het door verzoeker tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 6 juni 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 23 november 2018 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat degene die het bestreden besluit heeft genomen ook actief bemoeienis heeft gehad met het primaire besluit. De rechtbank acht dit in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft om deze reden het bestreden besluit vernietigd. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen heeft de rechtbank geen aanleiding gezien omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is en bovendien in strijd is met de rechtszekerheid omdat de ZW-uitkering met terugwerkende kracht is beëindigd.

3. Namens verzoeker is verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkend dat het Uwv in afwachting van een uitspraak in de bodemprocedure uitvoering geeft aan de aangevallen uitspraak en dat daarmee wordt afgeweken van de (wettelijk vastgelegde) opschortende werking van het hoger beroep. Verzocht is de ZW-uitkering vanaf 4 mei 2018 voort te zetten.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

In artikel 8:83, derde lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen, onder meer, als het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraken van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764, en van 21 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4228) is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van zogenoemde kortsluiting de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

4.4.

Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat bij hem sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. Van een acute financiële noodsituatie, die door het treffen van de gevraagde voorziening zou kunnen worden opgeheven, is niet gebleken. Sinds de eerste ziektedag van verzoeker op 27 november 2017 zijn inmiddels meer dan 104 weken verstreken zodat een eventuele aanspraak op ZW-uitkering ziet op een afgesloten periode in het verleden. Dat verzoeker, zoals hij stelt, inmiddels zijn huis is kwijtgeraakt, schulden heeft en bij zijn ouders is gaan wonen is voor het aannemen van een acute financiële noodsituatie niet voldoende. Verzoeker ontvangt inmiddels een bijstandsuitkering waarmee hij in zijn huidige levensonderhoud kan voorzien. Door het tijdsverloop is het ook niet meer mogelijk dat de door verzoeker gewenste re-integratieactiviteiten in het kader van de ZW worden opgestart. De vraag ten slotte of, na ommekomst van de wachttijd, recht bestaat op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) staat niet ter beoordeling in de ZW-procedure. Dat geldt eveneens voor het opleggen van een zogenoemde loonsanctie.

4.5.

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat er vanwege het ontbreken van spoedeisend belang geen noodzaak is voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder zitting.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2020.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) H. Spaargaren