Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:22

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2020
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
18/566 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WGA-vervolguitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het Uwv een onjuiste inschatting heeft gemaakt van zijn arbeidsmogelijkheden. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 566 WIA

Datum uitspraak: 8 januari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

18 december 2017, 17/2131 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 april 2018 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als allround monteur voor 40,96 uur per week. Hij is op 24 september 2004 uitgevallen met vermoeidheidsklachten als gevolg van een chronische hepatitis. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Appellant werd geschikt geacht voor zijn maatgevende functie.

1.2.

Op 30 september 2007 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld met dezelfde klachten, waarna verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Een voor het Uwv werkzame arts heeft in een rapport van 2 november 2007 opgemerkt dat het gezien het huidige functioneren van appellant goed is hem tijdelijk een urenbeperking te geven. Daarbij is door hem aangetekend dat er verder kan worden opgebouwd als het appellant een tijdje lukt halve dagen te functioneren, waarmee de frustratiegevoelens van appellant hopelijk kunnen worden verminderd. Vervolgens heeft het Uwv appellant met ingang van 30 augustus 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 59%.

1.3.

Na een ziekmelding op 24 september 2009 heeft een verzekeringsarts in een rapport van 11 december 2009, aangevuld op 18 februari 2010, vastgesteld dat appellant beperkt belastbaar is voor arbeid en dat er met name beperkingen zijn in het persoonlijk en sociaal functioneren, omdat appellant moe en prikkelbaar is als gevolg van zijn chronische ziekte. Daarnaast is er een energetische beperking als gevolg van deze ziekte, appellant heeft meer rust nodig. Appellant wordt in staat geacht tot werk voor niet meer dan vier uur per dag/twintig uur per week, in fysiek niet al te zwaar werk, met weinig druk en weinig piekbelasting. Door zijn prikkelbaarheid moeten ook klant- en patiëntcontacten beperkt zijn, alsmede het dragen van veel verantwoordelijkheid. Na raadpleging van het CBBS heeft een arbeidsdeskundige vastgesteld dat voor appellant onvoldoende functies zijn te duiden.

1.4.

In verband met een herbeoordeling op 27 november 2013 op verzoek van de ex‑werkgever heeft onderzoek plaatsgevonden. In een rapport van 27 november 2013 heeft een verzekeringsarts gerapporteerd dat de fysieke en psychische belastbaarheid van appellant beperkt is. Op basis van de anamnese, waarbij er een normale dagbesteding en dagritme is en appellant zijn kind naar en van school brengt, dagelijks een uur kan lopen, regelmatig fietst, huishoudelijk werk kan verrichten en boodschappen kan doen, is volgens de verzekeringsarts geen medische grond om de eerder aangenomen urenbeperking van maximaal ongeveer vier uur per dag/twintig uur per week te continueren. Appellant wordt in staat geacht ongeveer acht uur per dag/40 uur per week te werken, niet ’s nachts of in de avond. Na arbeidskundig onderzoek is door het Uwv geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd is gebleven.

1.5.

Op verzoek van de ex-werkgever heeft op 11 mei 2016 nogmaals een herbeoordeling plaatsgevonden. In dat kader heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts.

In een rapport van 11 augustus 2016 heeft deze arts vastgesteld dat bij appellant geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Zijn belastbaarheid is in grote lijnen ongewijzigd. Uit informatie van de maag-darm-leverarts (MDL-arts) van 13 maart 2016 komt naar voren dat sprake is van goed herstel na minderen van alcohol en afvallen. Volgens de verzekeringsarts kunnen bij de energetische klachten ook de psychische problemen een rol spelen, omdat de fysieke situatie momenteel rustig is. Mogelijk spelen ook conditionele factoren (deconditionering) een rol, aldus de verzekeringsarts. Appellant wordt beperkt geacht ten aanzien van nachtdiensten en onregelmatige diensten en werkdagen van langer dan acht uur. De beperkingen van appellant zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 augustus 2016. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050) en productiemedewerker metaal en elektro-industrie (SBC-code 111171) geselecteerd en op basis van de hoogste lonen berekend dat appellant nog 20,04% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.

1.6.

Het Uwv heeft bij besluit van 23 augustus 2016 de WGA-vervolguitkering van appellant met ingang van 24 oktober 2016 beëindigd, omdat hij met ingang van 12 augustus 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.7.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 14 maart 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 14 februari 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 9 maart 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen medische argumenten gevonden om de primaire beoordeling niet te handhaven. Met name is door de primaire verzekeringsarts correct vastgesteld dat bij appellant onveranderd sprake is van een leverziekte, overgewicht en psychische klachten in de vorm van een aanpassingsstoornis. Hoewel uit de informatie van de behandelend MDL-arts van 8 februari 2017 bleek dat de leverfunctie geheel was hersteld, zijn toch enige beperkingen opgenomen. Uit de informatie komt naar voren dat er geen tekenen van leverinsufficiëntie zijn, wel zijn de leverenzymen toegenomen, welke toename vooral lijkt samen te hangen met gedragsmatige componenten zoals alcoholgebruik en gewichtstoename. Verder is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen sprake van een depressieve stoornis. Met een verminderde psychische belastbaarheid is in de FML voldoende rekening gehouden. Ten slotte is er geen indicatie voor een urenbeperking. Na correctie van de maatmanomvang en het maandmanuurloon heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 22,45%. Daarbij heeft hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies passend voor appellant geacht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en dat de medische belastbaarheid van appellant op de datum in geding in de rapporten van de verzekeringsartsen op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Appellant moet daarom in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid zoals verwoord in de FML van 11 augustus 2016. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv, gelet op de door arbeidsdeskundigen in hun rapporten gegeven toelichting op de signaleringen, voldoende gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de vastgestelde medische belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat wegens zijn lichamelijke klachten en de daardoor optredende vermoeidheid (zie ook zijn dagactiviteiten) ten onrechte geen urenbeperking van twintig uur per week is aangenomen. Appellant kan niet acht uur per dag/40 uur per week werkzaamheden verrichten. Appellant voert voorts aan dat er geen sprake is van verbetering van de leverfunctie, eerder een verslechtering gelet op de informatie van de MDL-arts van 8 februari 2017. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de informatie van de MDL-arts dat in de huidige omstandigheden een progressie richting levercirrose waarschijnlijk is. Appellant wijst erop dat de interne aandoening inmiddels een chronische vorm heeft aangenomen en dat er nimmer sprake zal zijn van volledige verbetering. Wat betreft de psychische klachten verwijst appellant naar de informatie van de psycholoog van 6 november 2017, waaruit blijkt dat de depressieve stoornis ook in september 2016 van toepassing was. Appellant is in september 2016 door de huisarts doorverwezen vanwege depressieve klachten, welke thans door de psycholoog worden gekwalificeerd als een ‘echte’ depressieve stoornis. Onder verwijzing naar het verzekeringsgeneeskundig protocol depressieve stoornis dienen meer beperkingen aangenomen te worden vanwege een depressieve stoornis dan de aanpassingsstoornis waarvan is uitgegaan. Ten slotte is ten onrechte geen beperking aangenomen op item 2.6 (emotionele problemen van anderen hanteren), omdat de primaire verzekeringsarts van mening is dat er een vermindering bestaat om probleemsituaties te hanteren.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat voor een verzekerde na afloop van de wachttijd recht op uitkering als hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat na afloop van de wachttijd een recht op uitkering voor de verzekerde die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 24 oktober 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-vervolguitkering van appellant heeft beëindigd.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt het medisch onderzoek zorgvuldig geacht. De verzekeringsartsen hebben het dossier bestudeerd, informatie van de behandelend sector in de beoordeling betrokken en appellant gezien. De uitvoerige overwegingen van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit worden onderschreven.

4.4.

Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. In zijn rapport van 19 april 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder verwijzing naar zijn rapport van 14 februari 2017, te kennen gegeven dat bij appellant op de datum in geding geen sprake was van een aandoening die gepaard gaat met een objectiveerbaar energieverlies, er is geen verminderde beschikbaarheid en een preventief aspect is niet aan de orde. Met name blijkt uit de informatie van de MDL-arts van 8 februari 2017 dat op datum in geding geen sprake is van leverinsufficiëntie. De opmerking van de MDL-arts dat “in de huidige omstandigheden progressie richting levercirrose waarschijnlijk is” doet dan ook niet ter zake voor de beoordeling per datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep voegt hieraan nog toe dat uit de brief van de MDL-arts óók blijkt dat appellant eerder heeft laten zien dat hij zijn levensstijl kan verbeteren en kan afvallen, met gunstig effect voor zijn lever, waaruit valt af te leiden dat de prognose minder somber is dan door appellant geschetst. Over de psychische beperkingen van appellant is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat de stelling van appellant dat zijn psychische toestand in november 2017 dezelfde was als die in september 2016 niet is onderbouwd met (medische) feiten. Hij wijst erop dat uit de brief van de behandelend psychiater van 6 november 2017 noch uit de verwijzing van de huisarts blijkt dat al in september 2016 sprake was van een depressieve stoornis. Verder merkt hij op dat appellant bij de primaire beoordeling (op 11 augustus 2016) niet onder behandeling was voor zijn psychische klachten en dat bij onderzoek geen aanwijzingen voor een depressieve stoornis werden gevonden. Ook bij het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep waren er geen aanwijzingen voor een depressieve stoornis. Appellant heeft nadien geen medische informatie overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het Uwv een onjuiste inschatting heeft gemaakt van zijn arbeidsmogelijkheden. Hieruit volgt dat de medische grondslag van het bestreden besluit wordt onderschreven.

4.5.

Appellant heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de arbeidskundige beoordeling. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

4.6.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van G. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) G. van Duinkerken