Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2155

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
19/3001 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Gevraagde gegevens zijn niet volledig verstrekt. Onduidelijke financiële situatie en woonsituatie. Recht is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3001 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heerlen van 29 mei 2019 en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Partijen:

[Appellant] zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

Datum uitspraak: 8 september 2020

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 19 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:641, heeft de Raad de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 6 december 2017, 17/3870 en 17/3869, vernietigd. Daarbij heeft de Raad het beroep tegen het besluit van 2 november 2017 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Verder heeft de Raad het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 29 mei 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 augustus 2017 ongegrond verklaard en de aanvraag om bijstand inhoudelijk afgewezen.

Namens appellant heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat, tegen het bestreden besluit beroep aangetekend. Mr. Dassen-Vranken heeft op 6 maart 2020 de Raad geïnformeerd dat zij zich heeft onttrokken als gemachtigde van appellant.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de hiervoor genoemde uitspraak van 19 februari 2019.

Hij volstaat nu met het volgende.

1.2.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 19 februari 2019 geoordeeld dat het college niet bevoegd was de aanvraag om bijstand van appellant ingevolge de Participatiewet met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. Hiertoe heeft de Raad – samengevat – overwogen dat de door het college gevraagde gegevens ten tijde van de buitenbehandelingstelling niet nodig waren voor de beslissing op de aanvraag dan wel dat appellant daarover redelijkerwijs niet de beschikking kon krijgen.

2. Het college heeft ter uitvoering van deze uitspraak het thans bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het college de aanvraag om bijstand van appellant van 4 juli 2017 afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende gegevens heeft overgelegd om het recht op bijstand vast te stellen.

3. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Appellant voert hiertoe allereerst aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van 4 juli 2017 als meldingsdatum voor het doen van een aanvraag om bijstand. Volgens appellant heeft hij zich al eerder op 29 maart 2017 en 31 mei 2017 gemeld. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat hij heeft geleefd van de door hem ontvangen huur- en zorgtoeslag en dat op basis van de aanwezige gegevens zijn recht op bijstand gedurende de te beoordelen periode is vast te stellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling is gesteld en na bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag wordt beslist, loopt de te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum van de aanvraag (of de datum met ingang waarvan bijstand wordt verzocht) tot de datum van het besluit op het bezwaar. Anders dan appellant heeft betoogd zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden voor zijn standpunt dat hij zich al op een eerdere datum dan 4 juli 2017 heeft gemeld, welke melding heeft geleid tot het indienen van een aanvraag. Voorts heeft appellant vanaf 18 oktober 2018 bijstand ontvangen van de gemeente Haarlem. De periode die in dit geding beoordeeld moet worden is dan ook de periode van 4 juli 2017 tot 18 oktober 2018.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Voor de beoordeling van de vraag of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen.

4.3.

Bij e-mailberichten van 28 februari 2019, 19 maart 2019 en 14 mei 2019 heeft het college appellant onder meer verzocht:

- aan te geven hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in de periode vanaf 4 juli 2017 tot de datum van zijn verhuizing naar Haarlem en hiertoe objectieve en verifieerbare gegevens te overleggen;

- stukken over te leggen met betrekking tot de door hem ontvangen huurtoeslag over de gehele te beoordelen periode;

- bankafschriften te overleggen over de periode vanaf 7 september 2017;

- aan te geven waar hij heeft verbleven vanaf de datum van de aangekondigde ontruiming van twee weken na 27 juni 2018.

4.4.

Appellant heeft de door het college onder 4.3 genoemde gegevens niet volledig overgelegd. Deze gegevens zijn, gelet op 4.2, van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand. Het standpunt van appellant dat hij gedurende deze periode heeft geleefd van zijn huur- en zorgtoeslag heeft hij niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken. Bovendien heeft het college terecht vastgesteld dat het niet aannemelijk is dat appellant heeft kunnen leven van het bij beschikking van 21 augustus 2017 vastgestelde bedrag aan huurtoeslag van € 1.525,- voor een tijdvak van een jaar en zijn door appellant geen gegevens overgelegd over de hem toegekende zorgtoeslag. Als gevolg van het ontbreken van de afschriften van de bankrekening over de periode vanaf 7 september 2017 kan evenmin een volledig beeld worden verkregen van het (verloop van het) banksaldo en daarmee ook geen volledig inzicht in de eventuele vermogensmutaties in die periode, en daarmee in de gehele te beoordelen periode. Ook is niet inzichtelijk of in de periode van de ontbrekende bankafschriften transacties hebben plaatsgevonden waaruit zou kunnen blijken op welke wijze appellant in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Aldus ontbreekt een volledig beeld van de financiële situatie van appellant in de te beoordelen periode. Tot slot heeft appellant verzuimd inzicht te geven waar hij vanaf de aankondiging van de ontruiming van zijn woning heeft verbleven zodat ook de woonsituatie van appellant vanaf 11 juli 2018 onduidelijk is gebleven. Gelet op het voorgaande is de conclusie van het college gerechtvaardigd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het niet volledig overleggen van de gevraagde gegevens op grond waarvan het recht op bijstand gedurende de te beoordelen periode niet is vast te stellen.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het beroep ongegrond is. Gelet hierop moet het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2020.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.A.H. Ibrahim