Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2152

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
20/734 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanstelling terecht met toepassing van artikel 2c, tweede lid van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) omgezet naar een aanstelling voor de uitvoering van de politietaak met specifieke inzet, ook wel status executief-specifiek genaamd. Appellant beschikt niet over een afgeronde basispolitieopleiding, zoals vereist voor een executief-generieke aanstelling als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, van het Barp. Wel voldoet appellant aan de voorwaarden voor een executief-specifieke aanstelling als bedoeld in artikel 2c, tweede lid, van het Barp. Evenals de korpschef en de rechtbank is de Raad van oordeel dat artikel 2c van het Barp geen ruimte biedt om andere voltooide opleidingen aan de algemene politieopleiding gelijk te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2020/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 734 AW

Datum uitspraak: 10 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 januari 2020, 19/1449 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.M.A. Mertens hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mertens. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Stové.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 1981 aangevangen met de opleiding tot beroepsmarechaussee bij de

Koninklijke marechaussee (Kmar). In datzelfde jaar heeft hij het zogenaamde Kmar-diploma B behaald. Sindsdien is appellant een algemeen opsporingsambtenaar conform artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering. Daarna heeft appellant diverse opleidingen gevolgd, waaronder verschillende post-initiële politieopleidingen aan de Politieacademie.

1.2.

Met ingang van 15 augustus 2007 is appellant bij de politie in vaste dienst aangesteld als

[naam functie 1] , status [status] , salarisschaal 8. Met ingang van 1 januari 2010 is zijn functie omgezet naar de functie van [naam functie 2] . In het kader van de reorganisatie in verband met de totstandkoming van de Nationale Politie is appellant als functievolger overgegaan naar de functie van [naam functie 3] , betreffende een functie voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken (ATH-functie), salarisschaal 8, vakgebied [vakgebied] . Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte vaststaan.

1.3.

Bij besluit van 10 oktober 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 april 2019

(bestreden besluit), is de aanstelling van appellant per 1 juli 2018 met toepassing van artikel 2c, tweede lid van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) omgezet naar een aanstelling voor de uitvoering van de politietaak met specifieke inzet, ook wel status executief-specifiek genaamd, rang Brigadier. Daaraan is ten grondslag gelegd dat met ingang van 1 juli 2018 een nieuw aanstellingsregime inclusief overgangsbeleid van kracht is (Stb. 2018, 204). Dit regime houdt in dat naast de tot die tijd mogelijke aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak – in de praktijk aangeduid als executief – dan wel als ATH-ambtenaar, ook in bepaalde vakgebieden een aanstelling kan worden verleend als executieve ambtenaar voor uitsluitend specifieke politietaken. De behoefte daaraan is de afgelopen jaren toegenomen en deze ambtenaren hoeven niet aan alle eisen die gelden voor de executieve politieambtenaar, waaronder een afgeronde basispolitieopleiding te voldoen. Dit heeft geresulteerd in nieuwe regelgeving, waaronder artikel 2c van het Barp. Appellant, die was aangesteld als AT-ambtenaar in het vakgebied [vakgebied] , voldoet aan de (overgangs)voorwaarden voor de status executief-specifiek, waaronder dat men is aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Omdat appellant niet beschikt over een initieel politiediploma, komt hij niet in aanmerking voor de executief-generieke aanstelling als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, van het Barp.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan de aanstelling van appellant niet de status van executief-generiek kan worden toegekend, omdat hij niet beschikt over een afgeronde, algemene politieopleiding. De rechtbank ziet in het niveau van de opleiding en diploma’s van appellant noch in de toepasselijke regelgeving aanknopingspunten voor een verplichting voor de korpschef tot gelijkstelling van zijn opleiding aan bedoelde politieopleiding. Voorts volgt de rechtbank appellant niet in zijn stelling dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat twaalf medewerkers van de Koninklijke marechaussee met hetzelfde Kmar-diploma als appellant wel zijn aangesteld als politiemedewerker met de status executief-generiek. Er is geen sprake van gelijke gevallen. De betrokkenen waren indertijd persoonsbeveiliger en de besluiten zijn genomen op een moment waarop andere regelgeving gold. De rechtbank concludeert dat de korpschef terecht de status van executief-specifiek aan appellant heeft toegekend.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen

uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

De Raad stelt vast dat appellant niet beschikt over een afgeronde basispolitieopleiding, zoals vereist voor een executief-generieke aanstelling als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, van het Barp. Wel voldoet appellant aan de voorwaarden voor een executief-specifieke aanstelling als bedoeld in artikel 2c, tweede lid, van het Barp. Evenals de korpschef en de rechtbank is de Raad van oordeel dat artikel 2c van het Barp geen ruimte biedt om andere voltooide opleidingen aan de algemene politieopleiding gelijk te stellen. De Raad begrijpt dat het voor appellant teleurstellend is dat hem ondanks zijn kennis, ervaring en behaalde opleidingen niet de geambieerde status executief-generiek is toegekend, maar ziet gelet op het voorgaande geen aanknopingspunten om te concluderen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De korpschef heeft in dit verband benadrukt dat het functioneren van appellant niet ter discussie staat en dat zijn mogelijkheden ten opzichte van zijn voormalige AT-status niet veranderd zijn.

4.1.2.

Wat appellant heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel kan aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit evenmin afdoen. De Raad sluit zich aan bij wat de rechtbank heeft overwogen en wijst er daarbij nog op dat uit de besluitvorming ten aanzien van de desbetreffende ambtenaren blijkt dat aan hen enkel de executieve status is afgegeven voor de duur van hun aanstelling bij de Dienst [naam Dienst]. Bovendien dateren de besluiten uit 2014, vóór onderhavige wijziging in de regelgeving.

4.2.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2020.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) E.M. Welling