Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2143

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
19/4110 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit van 18 maart 2014. Er zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4110 ZW

Datum uitspraak: 10 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

16 september 2019, 19/312 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. van de Griek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker. Op 20 maart 2013 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek plaats gevonden, waarbij is geconcludeerd dat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het Uwv heeft bij besluit van 18 maart 2014 de ZW‑uitkering van appellant met ingang van 20 april 2014 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 juni 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 mei 2014 ten grondslag. Appellant heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

1.2.

Op 2 juli 2018 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 18 maart 2014. Appellant heeft hierbij aangevoerd dat een nieuwe medische diagnose is gesteld en daartoe informatie van 11 juni 2018 van een psycholoog van Transfore overgelegd. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 28 augustus 2018 geweigerd om terug te komen van het besluit van 18 maart 2014. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 januari 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. In bezwaar heeft appellant een verslag van psychiatrisch onderzoek en voortgangsrapportages van Dimence over de periode juli 2018 tot en met oktober 2018 en een brief van Transfore van 6 juli 2018. Tevens heeft appellant stukken van de politie ingebracht. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 december 2018 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 11 december 2018 inzichtelijk uiteen heeft gezet waarom geen nieuwe medische feiten aanwezig zijn op basis waarvan het besluit van 18 maart 2014 zou moeten worden herzien. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen die in het kader van de EZWb zijn opgesteld blijkt dat de informatie van 29 oktober 2013 van psychiater Bozdag en van 17 maart 2014 van psychiater Kaya is betrokken en dat bij de beoordeling rekening is gehouden met de diagnose PTSS. Een nieuwe of zwaardere diagnose is niet doorslaggevend voor het klachten- of beperkingenpatroon. Het gaat erom of uit de medische informatie blijkt dat de klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen, ook aanwezig waren op 20 april 2014 en daarvan is niet gebleken. Wat appellant heeft aangevoerd over zijn alcoholgebruik en agorafobie geeft hier evenmin aanleiding voor. Het moet gaan om nieuwe feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de datum die in geding is bij het besluit van 18 maart 2014. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Van een evident onredelijk besluit is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat met de diagnoses PTSS en agorafobie en daarnaast de stoornis in alcoholgebruik, sprake is van nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden die, indien ze bekend waren geweest bij de beoordeling in het kader van de EZWb, tot een ander besluit zouden hebben geleid. Appellant heeft hierbij verwezen naar de informatie van Transfore en Dimence en gesteld dat, hoewel niet kan worden vastgesteld hoe ernstig deze aandoeningen in 2014 waren, niet wegneemt dat de PTSS en de agorafobie aanwezig waren. Destijds is niet van ernstige psychiatrische problematiek uitgegaan, terwijl in 2018 blijkt dat hiervan wel sprake is. Appellant heeft gesteld dat hiermee voldoende grond aanwezig is om terug te komen van het besluit van 18 maart 2014.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.2.

Bij uitspraak van de Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van de onder 4.1 genoemde besluiten gewijzigd. Aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Met juistheid heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv, dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken, gevolgd. De door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden volledig onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. Uit de onder 2 genoemde informatie van psychiater Bozdag blijkt dat appellant aan PTSS met psychotische decompensatie lijdt en kenmerken heeft van paniekaanvallen met agorafobie. Uit de onder 2 genoemde informatie van psychiater Kaya komt naar voren dat de klachten van appellant het meest passen bij een stoornis in de impulsbeheersing, mogelijk een dysthyme stoornis en dat de PTSS op dat moment in remissie is. De stelling van appellant, dat de PTSS en de agorafobie al aanwezig waren op de datum in geding, sluit hierop aan en ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarop gewezen in zijn rapport van 11 december 2018. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 11 december 2018 vervolgens overtuigend gemotiveerd dat de onderzoeksbevindingen van Transfore en Dimence uit 2018, ruim vier jaar later, betrekking hebben op de situatie van dat moment en dat deze gegevens niets zeggen over de ernst van de klachten in 2014, zodat deze niet als nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden voor de datum in geding van het besluit van 18 maart 2014, te weten 20 april 2014, kunnen worden beschouwd.

4.5.

Uit de uitspraak van de Raad van 27 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:5115) volgt dat als het bestreden besluit de onder 4.1 tot en met 4.3 beschreven toets doorstaat en het Uwv terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn, de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel kan komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gevonden voor dit oordeel.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2020.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) L.E. König