Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
19/1775 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd WIA-uitkering toe te kennen. ZW-uitkering terecht beƫindigd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken met juistheid geoordeeld dat de verzekeringsartsen in zowel de Wet WIA-zaak als de ZW-zaak een zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht. Op een verantwoorde en inzichtelijke wijze hebben de verzekeringsartsen (en in de WIA-zaak de arbeidsdeskundige) geconcludeerd dat appellante op de datum 19 januari 2018 in staat was om met haar beperkingen de geduide functies te verrichten en dat op de datum 8 mei 2018 geen sprake was van een toename van de medische beperkingen ten opzichte van de beperkingen zoals vastgesteld in de FML van 20 november 2017. De Raad stelt zich dan ook achter de overwegingen van de rechtbank in beide zaken en maakt deze tot de zijne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1775 WIA, 19/1776 ZW

Datum uitspraak: 10 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

25 maart 2019, 18/3795 en 18/5370 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Tuenter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft niet binnen de gestelde termijn te kennen gegeven gebruik te willen maken van het recht om ter zitting te worden gehoord. Het Uwv heeft toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten. De Raad heeft het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

OVERWEGINGEN

19 1775 WIA

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker voor 40 uur per week. Vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, heeft zij zich op 22 januari 2016 ziek gemeld vanwege buikklachten en hoofdpijn. Aan appellante is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 6 oktober 2017 heeft zij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Naar aanleiding van die aanvraag is appellante op 13 november 2017 door een arts onderzocht. Bij rapport van 20 november 2017 en aanvullend rapport van 18 december 2017 is die arts tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden zoals zijn vastgelegd in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 20 november 2017. Een arbeidsdeskundige heeft blijkens het rapport van eveneens 18 december 2017 appellante ongeschikt geacht voor haar arbeid van productiemedewerker, en geschikt geacht voor passende arbeid. De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 4,65%.

1.2.

Bij besluit van 19 december 2017 heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van 19 januari 2018 een WIA-uitkering toe te kennen. Het tegen dat besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 juni 2018 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 juni 2018 waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie van de behandelende sector heeft betrokken.

19 1776 ZW

1.3.

Op 22 februari 2018 heeft appellante zich opnieuw ziek gemeld vanwege fysieke en psychische klachten waardoor zij toegenomen energetisch beperkt is, fysiek niet goed kan functioneren, belemmeringen heeft wat betreft geheugen en het omgaan met stress. Het Uwv heeft appellante een uitkering ingevolge de ZW toegekend. Bij rapport van 7 mei 2018 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt geacht moet worden om haar maatgevende arbeid te verrichten, zijnde een van de bij de WIA-beoordeling geduide functies, te weten tuinbouwmedewerker voor 40 uur per week.

1.4.

Bij besluit van 14 mei 2018 is de ZW-uitkering van appellante met ingang van 8 mei 2018 beƫindigd. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 augustus 2018 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van gelijke datum van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag gelegd.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

2.2.

Met betrekking tot bestreden besluit 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische belastbaarheid van appellante op de datum in geding in de rapporten van de (verzekerings)artsen op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat uit de recente informatie van de huisarts niet blijkt dat er actueel sprake is van hartklachten of afwijkingen in de thorax of buik. En voorts dat de klachten van appellante worden omschreven als psychosomatisch, dus zonder dat er lichamelijke afwijkingen gevonden zijn. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat de huisarts ook geen psychiatrische diagnose heeft gesteld, behoudens de melding van de psychosomatische klachten. Volgens de rechtbank moeten de klachten en beperkingen op de door de wetgever verlangde objectiveerbare wijze worden vastgesteld. Nu appellante haar standpunt dat zij meer beperkt is, ook in beroep, niet met (nieuwe) medische informatie heeft onderbouwd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van conclusies van de verzekeringsartsen over de medische belastbaarheid van appellante. Uitgaande van de FML van 20 november 2017 heeft de rechtbank overwogen dat appellante op 19 januari 2018 in staat moet worden geacht om de volgende functies te verrichten: productiemedewerker (samenstellen van producten) (sbc-code 111180), textielproductenmaker (geen machines bedienen) (sbc-code 111160) en magazijn, expeditie medewerker (sbc-code 111220).

2.3.

Inzake bestreden besluit 2 heeft de rechtbank het standpunt van de verzekeringsartsen onderschreven dat er op de datum in geding geen sprake is van relevante nieuwe medische feiten of toegenomen beperkingen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling. Appellante moet op de datum in geding nog steeds belastbaar worden geacht voor de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies, zodat zij dus arbeidsgeschikt is in de zin van de ZW. Appellante heeft haar standpunt, dat haar klachten en beperkingen zijn toegenomen en zij hierdoor op de datum in geding meer of verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, niet met (nieuwe) medische informatie onderbouwd. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om te twijfelen aan conclusies van de verzekeringsartsen over de ongewijzigde medische belastbaarheid van appellante en de geschiktheid van de in het kader van de WIA-beoordeling eerdere geduide functies.

3.1.

De gronden in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van de gronden in beroep. Zij komen erop neer dat het Uwv de medische beperkingen van appellante heeft onderschat en zij daarom niet in staat is om de haar voorgehouden voorbeeldfuncties te verrichten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van de behandelende psycholoog T. Duman-Bilir van 4 april 2019 ingebracht. Volgens appellante heeft zij daarmee duidelijk gemaakt dat haar klachten geobjectiveerd kunnen worden. Ook blijkt uit die brief dat de FML onjuist is en appellante de voorbeeldfuncties niet kan verrichten. Appellante heeft erop gewezen dat ten tijde van de ZW-beoordeling de verwijzing naar de psycholoog al gemaakt was.

3.2.

Met verwijzing naar een rapport van 4 juli 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken met juistheid geoordeeld dat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep in zowel de Wet WIA-zaak als de ZW-zaak een zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht. Op een verantwoorde en inzichtelijke wijze hebben de verzekeringsartsen (en in de WIA-zaak de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep) geconcludeerd dat appellante op de datum 19 januari 2018 in staat was om met haar beperkingen de geduide functies te verrichten en dat op de datum 8 mei 2018 geen sprake was van een toename van de medische beperkingen ten opzichte van de beperkingen zoals vastgesteld in de FML van 20 november 2017. De Raad stelt zich dan ook achter de overwegingen van de rechtbank in beide zaken en maakt deze tot de zijne.

4.2.

In wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen. Wat betreft de door appellante overgelegde medische informatie van psycholoog Duman-Bilir van 4 april 2019, wordt onderschreven wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 4 juli 2019 heeft gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de informatie van psycholoog Duman-Bilir geen nieuwe gezichtspunten oplevert en geen aanleiding geeft om het ingenomen standpunt, met betrekking tot de belastbaarheid van appellante per 19 januari 2018 en 22 februari 2018 (lees: 8 mei 2018), te herzien.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML wordt met de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. In zijn rapport van 18 december 2017 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vermeld dat de geselecteerde functies bij de belastbaarheid van appellante passen, omdat het fysiek licht werk betreft, in een voorspelbare setting zonder hoog handelingstempo. Ook is geen sprake van gevaar opleverende situaties door werken op hoogte, bij gevaarlijke machines of vanwege het beroepsmatig besturen van een motorvoertuig.

5. Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2020.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.A. Achterberg