Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
18/2868 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte WGA-vervolguitkering terecht ongewijzigd gelaten. Voldoende zorgvuldig onderzoek. Geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv. Arbeidsdeskundige heeft in hoger beroep alsnog toereikend gemotiveerd dat gezien de compensatiemogelijkheden er geen sprake is van een ontoelaatbare overschrijding. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2868 WIA

Datum uitspraak: 10 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 mei 2018, 17/137 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Geubbels hoger beroep ingesteld. Bij brief van 22 januari 2019 heeft mr. S.G.C. van Ingen zich als opvolgend gemachtigde gesteld en een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als sales engineer. Op 5 augustus 2011 heeft hij zich vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Bij besluit van 3 juni 2013 heeft het Uwv aan appellant, na afloop van de voorgeschreven wachttijd, met ingang van 2 augustus 2013 een loongerelateerde WGA‑uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 54,48%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij uitspraak van 9 september 2015 het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2013 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. Het Uwv heeft, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, op 11 november 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juni 2013 wederom ongegrond is verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 55,02%. De Raad heeft bij uitspraak van 20 december 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:4358) beslist op het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 september 2015. De Raad heeft, voor zover hier van belang, die uitspraak vernietigd voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding is afgewezen, die uitspraak voor het overige bevestigd, het beroep tegen het nadere besluit van 11 november 2015 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 2 augustus 2013 op 55,02% is vastgesteld, zelf in de zaak voorzien en de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 augustus 2013 vastgesteld op 62,49%, en het besluit van 3 juni 2013 in zoverre herroepen.

1.2.

Bij brief van 18 februari 2016 heeft appellant aan het Uwv gemeld dat zijn gezondheidssituatie is verslechterd per 1 juni 2013. Bij brief van 21 maart 2016 heeft hij het Uwv verzocht om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per heden waarbij – bij een toename van de mate van arbeidsongeschiktheid – beoordeeld zal moeten worden per welke datum deze toename reeds aanwezig was.

1.3.

Naar aanleiding van de verzoeken van 18 februari 2016 en 21 maart 2016 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant opnieuw beoordeeld. In dat kader heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 juni 2016. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 17 juni 2016 de WGA-vervolguitkering van appellant per 10 juni 2016 niet gewijzigd, omdat hij voor 56,80% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 januari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 57,07%. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 december 2016 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 januari 2017 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze, volledig en ook overigens conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld, heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv toereikend gemotiveerd dat de mogelijkheden en beperkingen van appellant op juiste wijze in de FML zijn neergelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van 21 en 28 augustus 2017 gemotiveerd dat de conclusies uit het rapport van 15 juni 2017 van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts G.J. Kruithof niet gevolgd worden, omdat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat appellant na zijn val in augustus 2015 geen benutbare mogelijkheden had en omdat in de FML voldoende rekening wordt gehouden met de fysieke klachten van appellant.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hij op de datum in geding meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Volgens appellant had de rechtbank de bevindingen van Kruithof moeten volgen, dan wel in diens bevindingen reden moeten zien om zelf een deskundige te benoemen. Nu de rechtbank heeft nagelaten een deskundige te benoemen verzoekt appellant de Raad om – voor zover de conclusies van Kruithof niet worden gevolgd – een deskundige te benoemen. Daarnaast is de rechtbank volgens appellant ten onrechte voorbij gegaan aan de arbeidskundige gronden die hij heeft aangevoerd. Volgens appellant heeft het Uwv een onjuist maatloon gehanteerd en zijn de geselecteerde functies niet geschikt voor hem. Tot slot heeft appellant verzocht een vergoeding van de schade als gevolg van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.2.

Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 februari 2020, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft reden gezien om de motivering van het bestreden besluit te wijzigen in de zin dat het maatmaninkomen gewijzigd moet worden naar € 21,76 per uur, met een mate van arbeidsongeschiktheid van 58,69% als gevolg. Deze wijziging heeft geen gevolgen voor de hoogte van de WGA-vervolguitkering van appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de hoogte van de WGA-vervolguitkering van appellant terecht met ingang van 10 juni 2016 ongewijzigd heeft gelaten.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest wordt onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd in het kader van de zorgvuldigheid van het onderzoek ziet op de inhoud van de medische beoordeling van het Uwv. Dat Kruithof tot een andere conclusie komt dan de verzekeringsartsen met betrekking tot de belastbaarheid van appellant maakt niet dat er sprake is van een onzorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

4.4.

De rechtbank wordt ook gevolgd in het oordeel dat de conclusies van Kruithof geen aanleiding geven om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv. Met de rechtbank wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapporten van 21 en 28 augustus 2017 overtuigend heeft gemotiveerd dat er bij appellant in de periode van augustus 2015 tot januari 2016 geen sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierbij betrokken dat er geen redenen zijn om uit te gaan van een toename van fysieke beperkingen van meer dan een aantal weken als gevolg van een val van appellant in augustus 2015 en dat er ook geen indicatie is dat de psychische klachten van appellant in deze periode wezenlijk zijn toegenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tot slot gemotiveerd dat er ook geen reden bestaat om uit te gaan van verdergaande fysieke beperkingen na deze periode, nu de FML van 7 juni 2016 in voldoende mate rekening houdt met de fysieke afwijkingen van appellant. Nu er geen twijfel bestaat aan het medische oordeel van de verzekeringsarts van het Uwv ziet ook de Raad geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.5.

Met betrekking tot de arbeidskundige gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt overwogen dat het Uwv heeft erkend dat een onjuist maatmanloon, en daardoor een verkeerde mate van arbeidsongeschiktheid, ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit. De mate van arbeidsongeschiktheid per 10 juni 2016 dient volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te worden aangepast naar 58,69%. De arbeidsdeskundige heeft verder in zijn rapport van 17 februari 2020 desgevraagd de overige arbeidskundige gronden besproken en heeft overtuigend gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant gelet op de vastgestelde belastbaarheid. In het bijzonder heeft appellant erop gewezen dat hij beperkt is tot 600 keer per uur reiken, terwijl in de functie van productiemedewerker (SBC-code 111180) er 1.260 keer per uur gereikt moet worden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn nadere toelichting aangegeven dat appellant gelet op zijn belastbaarheid tot 70 centimeter kan reiken, terwijl in de geselecteerde functie 1.200 keer per uur 40 centimeter en 60 keer per uur 60 centimeter gereikt moet worden. Deze geringe reikafstand, in combinatie met de mogelijkheid van licht vooroverbuigen om de reikafstand naar 20 tot 30 cm te verkleinen, compenseert de verhoogde frequentie van het reiken. Bij een reikafstand van 30 cm is volgens het CBBS geen sprake meer van reiken. Aldus heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toereikend gemotiveerd dat met deze compensatiemogelijkheden geen sprake is van een ontoelaatbare overschrijding op dit item. Het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de overige signaleringen in de geselecteerde functies toereikend zijn gemotiveerd wordt eveneens gevolgd.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om tot het oordeel te komen dat zijn WGA-vervolguitkering ten onrechte niet is gewijzigd per 10 juni 2016.

4.7.

Het Uwv heeft pas in hoger beroep een deugdelijke arbeidskundige motivering aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd omdat aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.1.

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.2.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 24 juni 2016 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna drie maanden verstreken. De zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en ook de opstelling van appellant geven geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van het tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv bijna zeven maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 13 januari 2017 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank bijna zeventien maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift door de Raad op 24 mei 2018 tot de datum van deze uitspraak twee jaar en bijna vier maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden door zowel het Uwv als de bestuursrechter. De redelijke termijn is in de procedure als geheel overschreden met bijna drie maanden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-.

5.3.

Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die uiteen is gezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het Uwv wordt overeenkomstig die methode veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 166,67 (1/3 deel van € 500,-) en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 333,33 (2/3 deel van € 500,-).

6. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten in hoger beroep. Deze worden begroot op € 525,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift). Voorts bestaat aanleiding het Uwv en de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant met betrekking tot de vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 262,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor van 0,5). Het Uwv zal worden veroordeeld in € 131,25 (de helft) van deze kosten. De Staat zal worden veroordeeld in de andere helft van deze kosten. Het Uwv zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal (€ 525,- + € 131,25 =) € 656,25.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 166,67;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 333,33;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 656,25;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 131,25;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld als voorzitter, en H.G. Rottier en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2020.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) L.E. König