Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
19/579 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Gelet op de inhoud van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW wordt appellant niet gevolgd in zijn stelling dat een onjuist beoordelingskader is toegepast. Zorgvuldig medisch onderzoek. Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid van de geselecteerde functies onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 579 ZW

Datum uitspraak: 9 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 december 2018, 18/987 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Kara, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via skype plaatsgevonden op 13 augustus 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kara. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als schilder. Op 22 februari 2016 heeft hij zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 18 maart 2016 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is de Ziektewetuitkering voortgezet, omdat appellant op dat moment wegens bijkomende pijnklachten, medicatie en geplande volledige gebitssanering niet ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar heeft appellant op 16 augustus 2017 het spreekuur van de verzekeringsarts opnieuw bezocht. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 augustus 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens drie functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 78,29% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 25 september 2017 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 26 oktober 2017 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 27 maart 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 6 maart 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 27 maart 2018 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding wordt gezien om te oordelen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens het door deze opgestelde rapport beschikte over het dossier, de voorgeschiedenis van appellant en medische gegevens van derden zodat niet kan worden geoordeeld dat deze arts een onvolledig of onjuist beeld had van de medische situatie van appellant op de datum in geding. Ook wordt geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is. Alle door appellant geuite klachten zijn besproken en, voor zover medisch geobjectiveerd, vastgelegd in de FML van 16 augustus 2017. Verder heeft de rechtbank overwogen dat aan hoe appellant zelf zijn klachten en belastbaarheid ervaart, bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid geen doorslaggevende betekenis kan toekomen. Van de door appellant in beroep overgelegde medische informatie van een revalidatiearts van Adelante is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis genomen. In zijn rapport van 7 december 2018 wordt geconcludeerd dat dit niet leidt tot een ander standpunt over de belastbaarheid. De rechtbank heeft geen reden gezien om deze conclusie niet te volgen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het betoog van appellant dat het Uwv ten onrechte geen acht heeft geslagen op het beoordelingskader duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen niet slaagt, omdat het in deze zaak niet gaat om volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de Wet WIA. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep terecht heeft geconcludeerd dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat voor de EZWb en de toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar verschillende normen gelden en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar. Verder voert appellant aan dat ten opzichte van de EZWb in 2015 en 2016 enkel een verslechtering is opgetreden, zodat het onbegrijpelijk is dat zijn ZW-uitkering nu is beëindigd. Volgens appellant is onvoldoende rekening gehouden met zijn onveranderde pijnklachten als gevolg van fibromyalgie.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971).

4.2.

Gelet op de inhoud van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW wordt appellant niet gevolgd in zijn stelling dat een onjuist beoordelingskader is toegepast. Uit dit artikel volgt dat na 52 weken ziekte nog slechts recht bestaat op een ZW-uitkering indien de verzekerde zijn laatstelijk verrichte werk niet kan verrichten en hij niet in staat is om meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen met het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit beoordelingskader geldt zowel voor de EZWb, die immers ziet op een beoordelingsdatum na 52 weken ziekte, als voor de toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar. Nu appellant op de datum in geding, zijnde 26 oktober 2017, al langer dan 52 weken ziek was en hij zijn laatstelijk verrichte werk niet meer kon verrichten, is door het Uwv terecht beoordeeld of appellant met het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid in staat was om meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. De door appellant ter zitting genoemde uitspraak van de Raad van 30 november 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:4139), de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever (de Regeling) en de memorie van toelichting bij de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters, geven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het toegepaste beoordelingskader. In de door appellant genoemde uitspraak is, evenals in deze uitspraak, voor het beoordelingskader in het tweede ziektejaar verwezen naar de uitspraak van de Raad van 7 december 2016. Verder bevat de Regeling enkel bepalingen over verdere activering van zieke werknemers en reintegratiebepalingen wat hier niet aan de orde is. Volgens de door appellant bedoelde memorie van toelichting bij de totstandkoming van de artikelen 19aa en 19ab van de ZW, wordt bij de beoordelingssystematiek aangesloten bij die van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, zoals de Raad in zijn uitspraak van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920, heeft weergegeven. De beoordeling in deze zaak is daarmee in lijn.

4.3.

De rechtbank heeft tevens terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de uitkomst van dit onderzoek. De primaire verzekeringsarts heeft dossieronderzoek uitgevoerd, hij heeft appellant gezien tijdens een spreekuur en hij heeft lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennis genomen van de door appellant aangevoerde bezwaren en heeft de ingebrachte medische informatie kenbaar in zijn onderzoek betrokken. Dat appellant na een eerdere ziekmelding in 2014 bij de in 2015 uitgevoerde EZWb wel recht behield op ZW-uitkering doet niet twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling in deze zaak. Deze beoordeling heeft immers betrekking op een datum die is gelegen bijna tweeëneenhalf jaar na de EWZb in 2015. Ook blijkt uit de medische beoordeling in 2015 dat de ZW-uitkering toen is voortgezet omdat appellant net ging starten met psychotherapie, die op korte termijn uitgebreid zou worden met andere intensieve therapieën. Van een intensief behandeltraject op de datum in geding is nu niet gebleken. Ten slotte is appellant per 5 oktober 2015 weer hersteld gemeld zodat niet gezegd kan worden dat er vanaf 2014 sprake is van een onveranderde medische situatie. Ook de stelling van appellant dat zijn situatie sinds de EZWb in 2016 niet is verbeterd, leidt niet tot een ander oordeel. Bij die EZWb is geconcludeerd dat appellant wegens bijkomende pijnklachten, medicatie en een volledige gebitssanering voorlopig niet in staat was loonvormende arbeid te verrichten. Dat, ondanks de uitgevoerde gebitssanering, bij de laatste beoordeling nog altijd pijnklachten bestonden, was zowel bij de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend en, evenals de psychische klachten, kenbaar in de beoordeling betrokken. Ook de diagnose fibromyalgie is, zo blijkt uit de rapporten door deze artsen erkend en hiervoor zijn beperkingen aangenomen in de FML. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat appellant wat betreft de fysieke belastbaarheid is aangewezen op lichte tot hooguit matig zware fysieke werkzaamheden waarbij een goede afwisseling van houding aan de orde is. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie in het geding gebracht die aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt ook het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid van de geselecteerde functies onderschreven. Appellant heeft tegen dat oordeel in hoger beroep ook geen gronden aangevoerd.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) A.L. Abdoellakhan