Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
17/7604 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van de besluiten van 26 maart 2013 en 20 mei 2014. Er is geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7604 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

23 oktober 2017, 17/1829 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 september 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van der Made, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1994, heeft met een op 24 december 2012 door het Uwv ontvangen formulier een aanvraag ingediend om arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Daarbij heeft appellant melding gemaakt van sedert twaalfjarige leeftijd bestaande rechter beenklachten en van sedert een scooterongeval op 11 november 2012 bestaande armklachten rechts. Bij besluit van 26 maart 2013 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellant op de leeftijd van zeventien en achttien jaar en datum beoordeling in staat was om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Bij deze beoordeling zijn alleen de beenklachten van appellant betrokken, omdat de wachttijd voor de armklachten nog niet was verstreken. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 26 maart 2013.

1.2.

Op 13 september 2013 heeft appellant opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Daarbij heeft hij gemeld dat hij sinds het scooterongeval concentratieverlies, angst en vermoeidheid ervaart en aanhoudende arm- en beenklachten heeft en hij zijn MBO-opleiding in juli 2013 heeft moeten stoppen. Bij besluit van 20 mei 2014, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juni 2015, heeft het Uwv deze aanvraag, na medisch en arbeidskundig onderzoek, afgewezen omdat appellant in staat geacht werd meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. De verzekeringsartsen hebben geconcludeerd dat bij appellant sprake is van restklachten van een rechter onderbeenfractuur, restklachten na een rechter elleboogfractuur in 2012 en psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte bij de beoordeling over informatie van behandelaars van appellant bij Altrecht, waaronder een conceptrapport van orthopedisch chirurg J.H. Postma en een brief van psychotherapeut N. van Oort van 9 maart 2015. De beperkingen van appellant per 10 november 2013 (wachttijd na ongeval) zijn in bezwaar vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML) van 8 juni 2015. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

1.3.

Op 9 november 2016 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van de besluiten van 26 maart 2013 en 20 mei 2014. Bij zijn verzoek heeft appellant een (concept) expertiserapport gevoegd van psychiater S.J. Roza van 27 september 2016, waarin gesproken wordt van een aanpassingsstoornis bij appellant met een gemengde stoornis in emoties en gedrag bij een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en een rapport van een psychodiagnostisch onderzoek door klinisch psycholoog J.J. Gutteling van 1 augustus 2016. Beiden rapporten zijn opgemaakt in het kader van een letselschadeprocedure. Verder heeft appellant bij zijn aanvraag gevoegd een rapport van medisch adviseur/verzekeringsarts P. Draaijer en informatie van psychotherapeut N. van Oort. Appellant heeft aangevoerd dat uit het rapport van Roza blijkt dat hij forse beperkingen heeft, ADL afhankelijk is voor gezonde maaltijdvoorziening en dat er sprake is van een GAF-score van 41-50. Appellant heeft aangevoerd dat hij afhankelijk is van een beschermde werkomgeving zonder stress en contacten, met juiste psychotherapeutische begeleiding (jobcoach is niet voldoende), en dat hij geen hele dag inzetbaar is. Bij besluit van 22 november 2016 heeft het Uwv het verzoek afgewezen op de grond dat appellant bij zijn aanvraag geen nieuwe informatie heeft overgelegd die aanleiding geeft om van de besluiten van 26 maart 2013 en 20 mei 2014 terug te komen. Bij besluit van 31 maart 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 november 2016 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanvraag van 7 november 2016 dient te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van de besluiten van 26 maart 2013 en 20 mei 2014. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het verzoek van appellant om van deze besluiten terug te komen kunnen afwijzen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk heeft uiteengezet dat de bevindingen uit het expertiseonderzoek door Roza in essentie een bevestiging zijn van wat bij de eerdere beoordelingen bekend was en dat de beperkingen in de FML van 8 juni 2015 passend zijn bij de aard en de ernst van de medische problematiek van appellant. Appellant voldoet niet aan de voorwaarden om geen benutbare mogelijkheden aan te nemen. Daarbij is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegewogen dat het rapport van Roza is opgesteld in een ander beoordelingskader. Ook is de rechtbank niet gebleken dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Appellant heeft herhaald dat in de rapporten van psychiater Roza, waarvan de bevindingen zijn onderschreven door medisch adviseur J. Jonker en verzekeringsarts Draaijer, nieuwe feiten en omstandigheden zijn vermeld. Appellant heeft met zijn aanvraag ook een beroep op de regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber) gedaan. Uit het rapport van psychiater Roza volgt dat de psychische klachten ernstiger zijn en dat appellant minimaal functioneert en psychisch niet zelfredzaam is. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep betreffende zijn verzoek om terug te komen van de besluiten van 26 maart 2013 en 20 mei 2014 heeft aangevoerd, vormt een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Er wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. De overwegingen die door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd worden onderschreven. Met juistheid heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gemotiveerd uiteengezet dat de rapporten van psychiater Roza uit 2016 in essentie bevestigen van wat eerder aan medische problematiek bekend was en bij de eerdere beoordeling naar aanleiding van de Wajong-aanvraag van 13 september 2013 al door de verzekeringsartsen van het Uwv werd meegewogen. De psychische problematiek die psychiater Roza thans in 2016 vaststelt (aanpassingsstoornis) is minder ernstig dan waar de verzekeringsartsen destijds vanuit gingen en geeft geen aanleiding de destijds in bezwaar opgestelde FML van 8 juni 2015 voor onjuist te houden.

4.2.

Appellant heeft pas in hoger beroep aangevoerd dat hij met zijn verzoek ook beoogde een beroep te doen op de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 21 maart 2017 inzichtelijk uiteengezet waarom er geen aanwijzingen zijn dat de beperkingen van appellant sinds de eerdere beoordeling naar aanleiding van de aanvraag van 13 september 2013 zijn toegenomen. Er is geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit standpunt niet te volgen.

4.3.

Omdat er geen twijfel bestaat over het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen aanleiding een onafhankelijke deskundige in te schakelen, zoals door appellant verzocht.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.5.

Bij een dergelijke uitkomst dient het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) D.S. Barthel