Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
18/6226 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om afstemmen bij toepassen kostendelersnorm. Er is geen aanleiding voor afstemming omdat de inwonende niet rechtmatig verblijvende schoondochter en kleinkind niet tot het gezin van appellanten behoort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6226 PW

Datum uitspraak: 8 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
31 oktober 2018, 18/1823 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] (appellant 1), [appellante 1] (appellante 1), [appellant 2] (appellant 2), [appellant 3] (appellant 3), [appellante 2] (appellante 2) en [appellant 4] (appellant 4), allen te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Ede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 18/6223 plaatsgevonden op 16 juni 2020. Namens appellanten is mr. Weijsenfeld verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok. In de zaak 18/6223 is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant 1 en appellante 1 zijn de ouders van appellant 2 en appellant 3, die beiden ouder dan 21 jaar zijn. Appellante 2 is de partner van appellant 3. De nationaliteit van appellante 2 is onbekend.

1.2.

Appellant 4 is de [in] 2017 geboren zoon van appellante 2. Op 24 juli 2018 heeft appellant 3 appellant 4 erkend. Hierdoor heeft appellant 4 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Vervolgens is bij besluit van 25 april 2019 aan appellante 2 een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij een EU-onderdaan afgegeven.

1.3.

Appellanten woonden allen op het uitkeringsadres. Appellant 1 en appellante 1 ontvingen bijstand van het college naar de norm voor gehuwden ingevolge de Participatiewet (PW). Appellant 3 ontvangt een uitkering ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.

1.4.

Op 21 juli 2017 heeft appellant 2 zich bij het college gemeld voor het aanvragen van een bijstandsuitkering. Het college heeft op 29 augustus 2017 een intakegesprek met appellant 2 gevoerd. Naar aanleiding van de door appellant 2 tijdens dit gesprek afgelegde verklaringen heeft het college onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant 1 en appellante 1 verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 augustus 2017.

1.5.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 29 september 2017 (besluit 1) de bijstand van appellant 1 en appellante 1 met ingang van 1 september 2017 te wijzigen in verband met toepassing van de kostendelersnorm voor drie kostendelende medebewoners.

1.6.

Appellanten 1, 2 en 3 en appellantes 1 en 2 hebben bezwaar gemaakt tegen besluit 1.

1.7.

Bij besluit van 2 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het college het door appellant 2, appellant 3 en appellante 2 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen subjecten van bijstand zijn en daarom geen belanghebbenden bij dat besluit zijn. Het college heeft het door appellant 1 en appellante 1 tegen besluit 1 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover ingesteld door de appellant 2, appellant 3, appellant 4 en appellante 2, niet‑ontvankelijk verklaard en heeft de rechtbank het beroep, voor zover ingesteld door appellant 1 en appellante 1, ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Het hoger beroep van appellant 2, appellant 3, appellant 4 en appellante 2

4.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellant 2, appellant 3 en appellante 2 niet‑ontvankelijk verklaard. Het college had echter het door hen gemaakte bezwaar al bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Deze appellanten zijn dan ook belanghebbenden bij het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaar en konden tegen dat besluit beroep instellen. De rechtbank heeft dit niet onderkend en het beroep daarom in zoverre ten onrechte niet‑ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover het beroep van appellant 2, appellant 3 en appellante 2 niet‑ontvankelijk is verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit voor zover daarbij de bezwaren van appellant 2, appellant 3 en appellante 2 niet-ontvankelijk zijn verklaard, ongegrond verklaren. Appellant 2, appellant 3 en appellante 2 zijn immers niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht aan te merken, omdat hun belang niet rechtstreeks is betrokken bij de verlaging van de bijstand van appellant 1 en appellante 1. Hun bezwaren tegen besluit 1 zijn dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Appellant 4 heeft evenmin een rechtstreeks betrokken belang bij de verlaging van de bijstand van appellant 1 en appellante 1. De rechtbank heeft het beroep van appellant 4 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het hoger beroep van appellant 1 en appellante 1

4.2.

De te beoordelen periode loopt van 1 september 2017 tot en met 29 september 2017.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 22a van de PW. Gelet op deze bepaling was het college daarom gehouden de kostendelersnorm toe te passen. Volgens appellant 1 en appellante 1 had het college met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW de bijstand moeten afstemmen op hun gezinssituatie, omdat hun situatie bijzonder was vanwege een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende schoondochter (appellante 2) en kleinkind (appellant 4). Het geschil spitst zich hiermee toe op het antwoord op de vraag of het college de bijstand had moeten afstemmen op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW.

4.4.1.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de PW stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Ingevolge artikel 18, twaalfde lid, van de PW wordt bij de toepassing van dit artikel onder belanghebbende mede verstaan het gezin.

4.4.2.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de PW wordt onder gezin verstaan de gehuwden tezamen, de gehuwden met de tot hun last komende kinderen, de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW wordt onder een ten laste komend kind verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.

4.5.

Appellant 1 en appellante 1 zijn gehuwd en zij vormen tezamen een gezin, zoals bedoeld in artikel 4 van de PW. Voor afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW wordt, gelet op artikel 18, eerste en twaalfde lid, van de PW enkel de situatie van de belanghebbende en het gezin in ogenschouw genomen. Appellante 2 is geen onderdeel van dit gezin, zoals bedoeld in artikel 4 van de PW. Nog daargelaten dat appellant 4 na afloop van de te beoordelen periode is geboren, is appellant 4 (als kleinkind) geen ten laste komend kind van appellant 1 en appellante 1. Dit betekent dat artikel 18, eerste lid, van de PW geen grondslag biedt om de bijstandsuitkering van appellant 1 en appellante 1 af te stemmen als beoogd. De vergelijking met de rechtspraak over afstemming bij het toepassen van de kostendelersnorm bij een niet-rechthebbende partner (zie bijvoorbeeld: uitspraak van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4105) treft geen doel, omdat een niet‑rechthebbende partner nu juist wel tot het gezin van de bijstandsgerechtigde behoort als bedoeld in artikel 4 van de PW.

4.6.

De weigering van het college om de bijstandsuitkering van appellant 1 en appellante 1 af te stemmen, is gelet op 4.5 geen maatregel betreffende het kind in de zin van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Reeds hierom slaagt het beroep op dat verdrag niet.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak voor het overige moet worden bevestigd.

4.8.

Uit 4.1 volgt dat aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep. Deze proceskosten worden begroot op € 1.050,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep van appellant 2, appellant 3 en appellante 2 niet-ontvankelijk is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep van appellant 2, appellant 3 en appellante 2 ongegrond;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van hoger beroep van appellant 2, appellant 3 en appellante 2 tot een bedrag van € 1.050,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant 2, appellant 3 en appellante 2 het in hoger beroep betaalde griffierecht van €172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en
K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2020.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) A.A.H. Ibrahim