Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
19/202 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:9877, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte bijstand ingetrokken op de grond dat appellant niet meer in de bijstandsverlenende gemeente woonde. Geen zorgvuldig onderzoek naar de zich voordoende omstandigheden. Geen deugdelijke feitelijke grondslag zodat intrekking wordt herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/414
NJB 2020/2245
JWWB 2020/258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 202 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 8 september 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2018, 18/2163 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.B. Jobse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2020. Namens appellant is verschenen mr. Jobse. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Arkenbout.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden. Appellant woonde met zijn echtgenote (X) en hun vier kinderen in een woning te [gemeente 1] , gemeente [gemeente 2] . Op instigatie van Jeugdzorg verbleef X sinds eind maart 2017 met haar kinderen tijdelijk bij haar moeder in Rotterdam. Appellant verbleef toen in de woning in [gemeente 1] . Sinds half mei 2017 verbleef X weer met de kinderen in de woning in [gemeente 1] en verbleef appellant in Rotterdam bij zijn moeder.

1.2.

Bij besluit van 26 juli 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 maart 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aan appellant verleende algemene bijstand en bijzondere bijstand met ingang van 1 augustus 2017 ingetrokken. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant zijn woonplaats niet meer in de gemeente [gemeente 2] had, aangezien hij in Rotterdam verbleef. Nu appellant hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het college, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg hiervan heeft appellant vanaf 1 augustus 2017 geen recht meer op bijstand jegens het college.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij zijn woonplaats in de gemeente [gemeente 2] heeft behouden. Hij stelt, samengevat, dat hij enkel tijdelijk veel bij zijn moeder verbleef vanwege de door Jeugdzorg opgelegde verplichting om niet in de woning in [gemeente 1] aanwezig te zijn wanneer de kinderen daar wakker aanwezig waren. Hij heeft daarbij benadrukt dat het de bedoeling was dat hij, zodra deze veiligheidsvoorschriften ten behoeve van de kinderen niet meer nodig waren, weer normaal in zijn woning zou verblijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het college terecht de aan appellant verleende bijstand met ingang van 1 augustus 2017 heeft ingetrokken op de grond dat hij met ingang van die datum zijn woonplaats niet meer in de gemeente [gemeente 2] had.

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de PW bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:105), welke haar gelding heeft behouden na de inwerkingtreding van de PW, is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 11, eerste lid, van de PW voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. Vergelijk de uitspraak van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2560.

4.5.

Het college heeft zijn conclusie dat appellant vanaf 1 augustus 2017 niet meer woonde in [gemeente 1] uitsluitend gebaseerd op de verklaringen van appellant en X. Uit die verklaringen is echter niet af te leiden dat appellant het centrum van zijn maatschappelijk leven had verplaatst naar een andere gemeente dan [gemeente 2] . Het volgende ligt aan dit oordeel ten grondslag.

4.5.1.

Appellant heeft weliswaar verklaard dat hij tijdelijk bij zijn moeder in Rotterdam logeerde, maar hij heeft hieraan toegevoegd dat dit zo was totdat hij kon terugkeren naar zijn gezin. X heeft ook verklaard dat appellant bij zijn moeder in Rotterdam verbleef, maar ook dat hij nog wel in hun woning in [gemeente 1] kwam. Dat appellant daar ook na 1 augustus 2017 nog kwam is niet in geschil. Over de feitelijke frequentie en de duur van zijn verblijf in de woning in [gemeente 1] zijn echter geen gegevens bekend. Appellant heeft daarover verklaard dat hij twee tot drie dagen per week in de woning aanwezig was. Volgens X was dat sporadisch. Niet in geschil is dat appellant op gezag van Jeugdzorg alleen in de woning aanwezig mocht zijn als de kinderen niet aanwezig waren of sliepen. Welke veiligheidsmaatregelen Jeugdzorg precies had opgelegd en voor welke periode die golden is echter niet duidelijk geworden. Ook is niet duidelijk geworden wat de maatregelen feitelijk betekenden voor de aanwezigheid van appellant in de woning. Gegevens hierover ontbreken. Het college heeft appellant en X hiernaar niet gevraagd. Evenmin heeft het college bij Jeugdzorg navraag gedaan naar de omstandigheden in het gezin, althans naar de duur en frequentie van de aanwezigheid van appellant in de woning, terwijl dit, gelet op de opgelegde veiligheidsmaatregelen, wel in de rede had gelegen.

4.5.2.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, uitgaande van de afwezigheid van appellant in de woning, andere aspecten van het centrum van het maatschappelijk leven van appellant, zoals de plaats waar hij zijn administratie bewaarde, waar hij zijn goederen en eigendommen beheerde en waar zich zijn huisarts, apotheek en tandarts bevonden, niet hoefde te onderzoeken. Het standpunt van het college dat bij een bepaalde, langere verblijfsduur buiten de oorspronkelijke woonplaats de andere aspecten van het centrum van het maatschappelijk leven niet van betekenis zijn voor de vraag of de betrokkene die woonplaats heeft prijsgegeven is echter in zijn algemeenheid niet juist. Daarbij komt bij dat, zoals uit 4.5.1. volgt, niet duidelijk is geworden in welke mate appellant vanaf 1 augustus 2017 buiten de gemeente [gemeente 2] verbleef. In dat licht is des te meer van belang om informatie te hebben over de overige aspecten van het maatschappelijk leven van appellant. Die ontbreekt, zodat niet op grond daarvan is vast te stellen dat appellant vanaf 1 augustus 2017 het centrum van dat maatschappelijk leven buiten de gemeente [gemeente 2] had.

4.5.3.

Daden van appellant waaruit blijkt dat hij de wil had om [gemeente 1] als woonplaats prijs te geven heeft het college niet gesteld. Uit de onderzoeksbevindingen is een dergelijke wil van appellant ook niet af te leiden, integendeel, zowel appellant als X hebben verklaard dat zij destijds ernaar streefden dat zij hun problemen zouden overwinnen en dat appellant zijn permanente aanwezigheid in de woning zou hervatten.

4.6.

Uit 4.5 tot en met 4.5.3 volgt dat het college het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en dat het daardoor niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad ziet, gelet op het feit dat het college ter zitting heeft gesteld dat wegens het tijdsverloop nader onderzoek niet mogelijk is, aanleiding om met het oog op een definitieve beslechting van het geschil zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 26 juli 2017 te herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 525,- in bezwaar, € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.625,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 maart 2018;

  • -

    herroept het besluit van 26 juli 2017;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.625,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2020.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) L. Hagendijk