Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
19/389 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand voor kosten hoortoestellen. Voorliggende voorziening en geen zeer dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 389 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 8 september 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2018, 18/1086 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Pekela (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.P. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de aanschaf van hoortoestellen en toebehoren.

1.2.

Bij besluit van 20 juli 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 januari 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet een passende en toereikende voorliggende voorziening vormt, zodat de kosten niet voor bijstandsverlening in aanmerking komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat een medische noodzaak bestaat tot aanschaf van dit specifieke type gehoortoestel met toebehoren. De kosten die zij nu zelf moet betalen staan in geen verhouding tot haar inkomen. Onder deze omstandigheden is volgens appellante geen sprake van een passende en toereikende voorliggende voorziening. Deze grond slaagt niet.

4.1.1.

Dat de kosten voor appellante medisch noodzakelijk zijn is niet in geschil. In het kader van de Zorgverzekeringswet – die voor de kosten van (para)medische zorg in beginsel is aan te merken als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening – is echter een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten. Bijzondere bijstand is niet aan de orde voor kosten die in de voorliggende voorziening niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat ze als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Dit heeft de Raad eerder overwogen, onder andere in de uitspraak van 29 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9838. Artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW staat dan ook aan toekenning van bijzondere bijstand voor die kosten in de weg. De omstandigheid dat appellante slechts aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding van de kosten op basis van een aanvullende verzekering, zodat een in verhouding tot haar inkomen groot bedrag voor haar rekening blijft, maakt dit niet anders.

4.2.

Appellante heeft met een beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW, verder aangevoerd dat haar financiële en medische situatie meebrengen dat haar toch de gevraagde bijzondere bijstand moet worden verleend. Zij heeft in dat verband met name erop gewezen dat zij zonder de door haar gewenste hoortoestellen problemen ondervindt bij haar sociale contacten. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.2.1.

Artikel 16, eerste lid, van de PW biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de PW, bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Daarvoor dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodzaak is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Appellante heeft schriftelijk en ter zitting duidelijk gemaakt hoe bezwaarlijk het is dat zij niet beschikt over het geavanceerde hoortoestel waarvoor zij bijzondere bijstand heeft aangevraagd. Zo hoort zij bij het gebruik van haar huidige hoortoestel veel bijgeluiden waardoor het deelnemen aan het sociaal leven extreem vermoeiend voor haar is. De belemmeringen die appellante ervaart doordat zij niet over een meer geavanceerd hoortoestel beschikt zijn, hoe belastend voor appellante ook, geen feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat zij bij het uitblijven van de gevraagde bijzondere bijstand in een acute noodsituatie als hiervoor omschreven terecht komt.

4.3.

Appellante heeft verder aangevoerd dat het onrechtvaardig is dat het college, anders dan enkele andere gemeenten, geen buitenwettelijk begunstigend beleid voert op grond waarvan voor de kosten van meer geavanceerde hoortoestellen wel bijzondere bijstand wordt verstrekt. Ook deze grond slaagt niet.

4.3.1.

Het al dan niet bestaan van een buitenwettelijk begunstigend beleid is een gegeven dat niet ter toetsing voorligt. Het voeren van een dergelijk beleid staat ter vrije keuze van het college. De omstandigheid dat colleges van andere gemeenten wel een dergelijk beleid voeren, maakt dit niet anders.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2020.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) L. Hagendijk