Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
18/5738 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag studiefinanciering, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Appellant is er niet in geslaagd voldoende bewijs te leveren van zijn bewoning van het brp-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/5738 WSF

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

28 september 2018, 18/1178 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Meijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft, met instemming van partijen en overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, door middel van een videoverbinding plaatsgevonden op 15 juli 2020. Aan de zitting hebben deelgenomen appellant, bijgestaan door mr. R.A. van Elst, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant stond in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] . Appellant heeft vanaf 1 april 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt door een uitwonende studerende. De minister heeft de toekenning aan appellant bij besluit van 7 juli 2017 met ingang van 1 april 2014 herzien omdat appellant niet woonde op zijn brp‑adres. Aan appellant is vervolgens studiefinanciering toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een thuiswonende studerende.

1.2.

Appellant heeft op 4 december 2017 opnieuw studiefinanciering aangevraagd, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Daarop heeft de minister appellant verzocht bewijsstukken in te zenden waaruit blijkt dat appellant feitelijk woont op zijn brp‑adres. Appellant heeft hierop enkele foto’s ingezonden en zijn woonsituatie toegelicht.

1.3.

Bij besluit van 3 januari 2018 heeft de minister de aanvraag afgewezen, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 21 maart 2018 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat appellant er naar haar oordeel niet in is geslaagd voldoende bewijs te leveren van zijn bewoning van het brp-adres. Weliswaar heeft appellant met het door hem overgelegde bewijs in de vorm van stukken en verklaringen een begin van bewijs geleverd, maar dit bewijs is onvoldoende om als voldragen bewijs te dienen dat hij uitwonend is op het brp-adres. Bij haar beoordeling heeft de rechtbank betrokken dat de verklaringen van de opa en oma van appellant, zijn moeder en zijn buurman weinig concrete informatie bevatten waaruit kan worden afgeleid dat hij op 1 januari 2018 daadwerkelijk en feitelijk op het brp‑adres woonde. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokkene dat de door appellant overgelegde poststukken van instanties (die post adresseren aan het brp-adres) op zich niks zeggen over de feitelijke bewoning van dat adres. Essentiële bewijsstukken zoals een huurovereenkomst, kwitanties van betaling van de huur dan wel bankafschriften waaruit blijkt dat huur is betaald of een polis van een inboedelverzekering ontbreken in het geval van appellant.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat hij genoeg bewijs heeft geleverd en dat het leveren van meer bewijs ook niet goed mogelijk is. De overgelegde verklaringen zijn voldoende, de verklaring van de buurman is er een van een onafhankelijke getuige. De minister zou bovendien een onderzoek ter plaatse hebben kunnen doen, wat ten onrechte is nagelaten.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In de uitspraak van de Raad van 25 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1928, is overwogen dat indien de studerende een aanvraag indient voor het normbedrag voor een uitwonende studerende en hij hetzelfde brp-adres opgeeft waarvan door de minister eerder is vastgesteld dat hij daar niet woonde, de minister mag verlangen dat deze studerende aantoont, zo veel mogelijk aan de hand van objectief bewijs, dat hij op de latere datum voldoet aan de vereisten om voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking te komen. Uit deze uitspraak volgt dat de stelling van een studerende dat hij ten tijde van de controle en ook daarna op het brp-adres woonde en is blijven wonen en dat de minister in het verleden dus ten onrechte heeft vastgesteld dat hij daar niet woonde, niet voldoende zal zijn.

4.2.

In het voorliggende geval heeft de minister bij besluit van 7 juli 2017 vastgesteld dat appellant niet woonde op zijn brp-adres. Dat besluit is door appellant aangevochten, maar, zoals blijkt uit de uitspraak van 26 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1935, zonder succes, zodat de minister bij zijn besluitvorming over de aanvraag van 4 december 2017 van de in het besluit van 7 juli 2017 vastgestelde situatie mocht uitgaan.

4.3.

Een gevolg van het besluit van 7 juli 2017 is dat appellant bij een nieuwe aanvraag op hetzelfde brp-adres wordt geconfronteerd met de werkwijze van de minister dat de studerende bij die aanvraag bewijs van bewoning van het brp-adres over moet leggen. De bewijsstukken moeten in een dergelijk geval zien op de periode vanaf het moment of vlak voor het moment waarop de studerende (weer) in aanmerking wenst te komen voor het normbedrag voor een uitwonende studerende. Bij deze bewijsstukken valt bijvoorbeeld te denken aan verklaringen van onafhankelijke derden die berusten op eigen waarnemingen omtrent de woonsituatie, aan een huurovereenkomst, aan bankafschriften, aan een polis van een inboedelverzekering, aan poststukken en aan gedetailleerde getuigenverklaringen van buren, vrienden en/of familie. Uit de (combinaties van) bewijsstukken moet overtuigend naar voren komen dat de studerende op het brp-adres woonachtig is. Voor een studerende die daadwerkelijk op dat adres woont, zal het overleggen van bewijsstukken doorgaans ook geen onoverkomelijke problemen opleveren.

4.4.

In het voorliggende geval heeft appellant foto’s en poststukken overgelegd, alsmede verklaringen van de hoofdbewoners van het brp-adres, van een buurman van het brp-adres en van zijn moeder.

4.4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank van de verklaringen van appellants moeder, de twee hoofdbewoners van het brp-adres en de buurman van dat adres vastgesteld dat zij weinig concrete informatie bevatten waaruit kan worden afgeleid dat appellant op en vanaf 1 januari 2018 feitelijk op zijn brp-adres woonde. Daarbij komt, zoals de minister terecht naar voren heeft gebracht, dat de hoofdbewoners een groot deel van het jaar zelf niet op het brp-adres aanwezig zijn, zodat zij ook niet goed op de hoogte kunnen zijn van appellants feitelijke verblijf op dat adres.

4.4.2.

Eveneens met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de poststukken van de Belastingdienst en de gemeente Delfzijl niets zeggen over de feitelijke bewoning van het brp‑adres, omdat deze instanties post adresseren aan het brp-adres. De hoeveelheid post die appellant heeft overgelegd van Tele2, een afzender die niet automatisch het brp-adres als postadres gebruikt, is dermate gering (twee rekeningen van 15 januari 2018), dat daaraan onvoldoende gewicht kan worden toegekend, nog los van de vraag dat dergelijke poststukken weinig zeggen over feitelijke bewoning van het brp-adres. Ook op dit punt is het oordeel van de rechtbank juist gemotiveerd.

4.4.3.

Tot slot is ook met de foto’s niet aangetoond dat appellant feitelijk op het brp-adres woonde. De foto’s, gesteld al dat ze zijn gemaakt op het brp-adres in de periode hier van belang en dat daarop de kamer van appellant te zien is, zeggen onvoldoende over het feitelijke verblijf van appellant op het dat adres. Dat is nog steeds zo wanneer zij worden bezien in combinatie met de overige door appellant overgelegde bewijsstukken.

4.5.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) F.E.M. Boon