Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2084

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
18/1941 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke afwijzing verzoek om herziening eerder besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1941 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 25 augustus 2020

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 maart 2018, 17/3795 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Zitting heeft: mr. A.J. Schaap

Griffier: A.A.H. Ibrahim

Partijen zijn na berichtgeving niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1.1.

Bij besluit van 3 december 2014 heeft het college de bijstand die appellant en zijn echtgenote (X) ontvingen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) over de periodes van 14 juni 2011 tot 2 december 2011, 28 september 2012 tot 5 juni 2013 en 8 augustus 2014 tot 1 oktober 2014 ingetrokken en over deze eerste twee periodes en vanaf 8 augustus 2014 de bijstand van appellant gewijzigd voortgezet naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Het college heeft verder de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.063,11 van appellant en X teruggevorderd. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant en X over genoemde periodes ten onrechte bijstand hebben ontvangen naar de norm voor gehuwden. Uit onderzoek is namelijk naar voren gekomen dat X in die periodes geen verblijfsstatus meer had (code 98). Tegen dit besluit hebben appellant en X geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Op 2 maart 2017 heeft appellant het college verzocht om het besluit van 3 december 2014 te herzien. Ter ondersteuning van dit verzoek heeft appellant aangevoerd dat de IND in eerste instantie niet over de juiste periodes de juiste verblijfsstatus van X had doorgegeven aan zowel de gemeente als de Belastingdienst. Appellant heeft hierbij verwezen naar het verweerschrift van de Belastingdienst in het beroep van appellant tegen terugvorderingen van de zorg- en huurtoeslag over de belastingjaren 2012 en 2013.

1.3.

Naar aanleiding van het herzieningsverzoek van appellant heeft het college contact opgenomen met de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND). Uit de door de IND verstrekte informatie is naar voren gekomen dat X in de periode van 14 juni 2011 tot 2 december 2011 verblijfscode 33 had en op basis van deze verblijfscode het besluit op haar verzoek tot verlening van haar verblijfsvergunning in Nederland mocht afwachten. X had over de periode van 14 juni 2011 tot 2 december 2011 daarom recht op bijstand.

1.4.

Bij besluit van 24 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 september 2017 (bestreden besluit), heeft het college het besluit van 3 december 2014 herzien voor zover het de periode van 14 juni 2011 tot 2 december 2011 betreft en vastgesteld dat appellant en X over deze periode alsnog recht hadden op bijstand naar de norm voor gehuwden. Hiermee is de vastgestelde terugvordering van € 3.389,79 komen te vervallen. Het college heeft het besluit van 3 december 2014 voor het overige in stand gelaten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft aangevoerd dat het college het verzoek om herziening inhoudelijk heeft beoordeeld. Dit betekent dat de bestuursrechter het besluit op het herzieningsverzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden dient te toetsen als ware dit het eerste besluit over dat verzoek. De rechtbank heeft dit ten onrechte nagelaten.

4. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad overweegt hiertoe als volgt.

4.1.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag, of zoals in dit geval een verzoek om herziening, inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen, ook als de rechtzoekende aan de herhaalde aanvraag, dan wel het herzieningsverzoek, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de herhaalde aanvraag, dan wel het herzieningsverzoek, af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. Voor het nieuwe toetsingskader is van belang welke keuze het college in het voorliggende geval maakt.

4.2.

Aan het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, het volgende ten grondslag gelegd:

“Uit het verweerschrift van de Belastingdienst aan de rechtbank dat als bijlage bij de e-mail van 2 maart 2017 was gevoegd, is het bestuursorgaan gebleken dat sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheden, een zogenaamd novum. Gebleken is dat de echtgenote van bezwaarmaker gedurende de periode van 14 juni 2011 tot 2 december 2011 toch een verblijfsstatus had. Het recht op bijstand is dan ook ten onrechte ingetrokken door het bestuursorgaan bij besluit van 3 december 2014. (…)

Blijkens het procesdossier en het verhandelde tijdens de hoorzitting heeft het bestuursorgaan onderzoek (verificatie) bij de IND verricht, alsmede de verblijfstitels in de Basisregistratie Personen en de inkijkfunctie van de Vreemdelingenketen geraadpleegd. Uit dit nader onderzoek is niet gebleken van andere nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die ertoe hadden moeten leiden dat het besluit van 3 december 2014 verder had moeten worden herzien.

De Kamer is, met verweerder, van oordeel dat in het kader van het herzieningsverzoek voldoende onderzoek is gedaan naar nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Voorts is van de zijde van bezwaarkamer geen informatie overgelegd op basis waarvan een uitgebreidere herziening van het besluit van 3 december 2014 had moeten plaatsvinden.”

4.3.

De onder 4.2 weergegeven overwegingen kunnen niet anders worden gelezen dan dat het college er voor heeft gekozen zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

4.4.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.5.

Wat appellant heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn verzoek van 2 maart 2017 zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die zien op de periodes van 28 september 2012 tot 5 juni 2013 en vanaf 8 augustus 2014. Ook het nader onderzoek van het college heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden opgeleverd.

4.6.

Het college mocht het verzoek van appellant van 2 maart 2017 dan ook afwijzen voor wat betreft de onder 4.5 genoemde periodes, met verwijzing naar zijn besluit van 3 december 2014. In wat appellant heeft aangevoerd wordt ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een schadevergoeding of veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) A.A.H. Ibrahim (getekend) A.J. Schaap