Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2078

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
19/2174 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:1507, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Het medisch onderzoek heeft op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Het enkele feit dat geen tolk is ingeschakeld betekent niet dat de verzekeringsartsen van het Uwv geen juist beeld hebben gehad van de klachten en beperkingen van appellante. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de resterende aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2174 WIA

Datum uitspraak: 2 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 5 april 2019, 18/5855 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Sahin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2020 via videobellen. Appellante is verschenen, vergezeld van haar echtgenoot, bijgestaan door mr. Sahin en door J.A.M. Houberg als deskundige. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft laatstelijk gewerkt als logistiek medewerkster voor 20,77 uur per week. Zij ontving naast haar loon een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 11 maart 2011 heeft appellante zich ziek gemeld met klachten als gevolg van een verkeersongeval. Bij besluit van 25 februari 2013 heeft het Uwv geweigerd appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 8 maart 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 februari 2013 is ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij uitspraak van 6 augustus 2014 ongegrond verklaard.

1.2.

Appellante heeft zich op 14 juli 2014 ziek gemeld met toegenomen klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellante heeft op 20 augustus 2014 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante ten opzichte van de WIA-beoordeling toegenomen beperkingen heeft en haar geschikt geacht voor twee van de drie in het kader van de WIA-beoordeling per 8 maart 2013 geselecteerde functies. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 20 augustus 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 25 augustus 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 27 januari 2015. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 16 oktober 2015 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak op 15 februari 2017 bevestigd.

1.3.

Appellante heeft zich op 7 december 2017 bij het Uwv gemeld en gesteld dat zij, gelet op de door psychiater J.L.M. Schoutrop in het kader van een letselschadeprocedure verrichte expertise, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 23 januari 2017, in de periode van 2013 tot 2016 volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Appellante heeft verzocht om haar met ingang van 2 januari 2015, 6 mei 2016 dan wel een door het Uwv te bepalen datum een WIA-uitkering toe te kennen. Naar aanleiding van deze melding heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft in een rapport van 25 januari 2018 te kennen gegeven dat de psychiatrische expertise al in concept is ingebracht en meegenomen bij de beoordeling van het recht op ziekengeld per 25 augustus 2014. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de beperkingen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling zijn toegenomen. Hij heeft de toegenomen beperkingen, zoals die zijn vastgesteld in de ZW-procedure, onderschreven en doorlopend van toepassing geacht. Deze beperkingen heeft de verzekeringsarts neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 januari 2018. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat appellante, uitgaande van deze FML, minder dan 35% arbeidsongeschikt is, gelet op wat zij met geselecteerde functies nog kan verdienen.

1.4.

Het Uwv heeft bij besluit van 2 februari 2018 geweigerd appellante per 14 juli 2014 een WIA-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 juli 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Het Uwv heeft met het bestreden besluit zijn standpunt gehandhaafd dat appellante per 14 juli 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Ook heeft het Uwv geen aanleiding gezien een WIA‑uitkering toe te kennen per een latere datum, omdat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellante niet is gewijzigd in de periode tot 2 januari 2015 en 6 mei 2016. Daarom behoefde per die data geen arbeidskundig onderzoek plaats te vinden.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de medische rapporten is gebleken dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de door appellante gestelde klachten, waaronder de psychische klachten. De informatie die appellante in beroep heeft ingebracht, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Daarbij is door de rechtbank in aanmerking genomen dat de expertise van psychiater Schoutrop al in de eerdere procedure in het kader van de ZW is betrokken en destijds geen aanleiding heeft gegeven om meer beperkingen aan te nemen. Ook aan het in beroep ingebrachte rapport van J.A.M. Houberg van 25 februari 2019 kan naar het oordeel van de rechtbank niet de door appellante gewenste waarde worden gehecht, nu Houberg geen verzekeringsarts is, maar een arbeidsdeskundige en het niet tot de expertise van een arbeidsdeskundige behoort om medische gegevens te wegen en te vertalen in medische beperkingen. De rechtbank heeft overwogen dat de beleving van de klachten volgens vaste rechtspraak niet beslissend is bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij appellante zijn vast te stellen. Niet is gebleken dat de beperkingen van appellante in de FML van 25 januari 2018 zijn onderschat. Voorts heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien om te twijfelen aan het vastgestelde opleidingsniveau 2. De functie van wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur met SBC-code 267050 heeft de rechtbank niet passend geacht, nu in deze functie een VMBO-niveau wordt vereist. Er resteren echter voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen om daarvoor in de plaats te stellen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% blijft. Ook heeft de rechtbank geen reden gezien om te oordelen dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. In de rapporten van de arbeidsdeskundigen is volgens de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd dat appellante de aan deze functies verbonden werkzaamheden kan verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar beperkingen zijn onderschat. Volgens appellante blijkt uit de psychiatrische expertise van Schoutrop dat zij niets meer kan en bij het dagelijks functioneren afhankelijk is van familieleden. Haar psychische en lichamelijke klachten zijn toegenomen. Verder heeft appellante aangevoerd dat het vaststellen van een psychiatrisch ziektebeeld is voorbehouden aan een psychiater en de psychiater deskundig is om beperkingen vast te stellen. De verzekeringsarts heeft het rapport van de psychiater volgens appellante niet of nauwelijks meegenomen in zijn overweging. Onder verwijzing naar het in beroep ingebrachte rapport van Houberg heeft appellante gesteld dat door de artsen van het Uwv een tolk ingeschakeld had moeten worden om de taalbarrière te minimaliseren. De rechtbank heeft naar de mening van appellante ten onrechte geen deskundige, bij voorkeur een Turkssprekende psychiater, benoemd. Verder heeft appellante herhaald dat het opleidingsniveau niet juist is vastgesteld. Appellante heeft opleidingsniveau 1 en daarmee zijn niet alle functies geschikt te achten. Tevens kan zij niet in staat worden geacht de geselecteerde functies te verrichten, omdat zij vanwege een taalbarrière niet in staat is mondelinge en schriftelijke werkinstructies te ontvangen. Ook is appellante niet in staat tot het volgen van een interne opleiding voor een soldeercertificaat, zoals vereist in de functie van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) met SBC-code 111180.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

4.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in de kern een herhaling van wat zij eerder in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom die niet slagen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe (medische) informatie ingebracht die aanknopingspunten biedt voor een ander oordeel. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.3.

Niet kan worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een taalbarrière die een zorgvuldige beoordeling zonder tolk in de weg heeft gestaan. Het enkele feit dat geen tolk is ingeschakeld betekent niet dat de verzekeringsartsen van het Uwv geen juist beeld hebben gehad van de klachten en beperkingen van appellante. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde klachten, waaronder de psychische klachten. Ook blijkt daaruit dat zij kennis hebben genomen van de inhoud van de psychiatrische expertise en de overige aanwezige medische gegevens.

4.4.

De beroepsgrond dat het vaststellen van een psychiatrisch ziektebeeld is voorbehouden aan een psychiater en de psychiater deskundig is om beperkingen vast te stellen leidt niet tot het kennelijk beoogde doel. Ook de verzekeringsartsen van het Uwv hebben aangenomen dat er bij appellante sprake is van een somatoforme stoornis. Zoals voorts in de onder 1.2 genoemde uitspraak is overwogen, is de diagnose niet bepalend, maar gaat het om de vraag of met de reële klachten van appellante voldoende rekening is gehouden bij de bepaling van haar arbeidsmogelijkheden. In die uitspraak is verder van belang geacht dat uit de psychiatrische expertise niet concreet blijkt dat appellante beperkingen heeft tot het verrichten van arbeid. Er is geen aanleiding daarover thans anders te oordelen. In wat appellante naar voren heeft gebracht is geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv op onjuiste wijze een vertaalslag hebben gemaakt van de klachten van appellante naar de in de FML op te nemen beperkingen.

4.5.

Nu geen twijfel over de juistheid van de medische beoordeling bestaat, is er geen aanleiding om onafhankelijke medisch deskundig te benoemen.

4.6.1.

Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de resterende aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt voor appellante.

4.6.2.

Appellante heeft in hoger beroep een afschrift van haar diplomaregistratie ingebracht, waaruit blijkt dat zij in het onderwijsschooljaar 1987-1988 aan de lagere school een diploma heeft behaald. In reactie op dit afschrift heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 25 september 2019 in een rapport toegelicht dat bij het selecteren van de functies is uitgegaan van opleidingsniveau 2 en dat appellante met dit afschrift voldoet aan dit opleidingsniveau. Deze toelichting wordt gevolgd en is overeenstemming met de gegevens uit het CBBS, waarin is vermeld dat sprake is van opleidingsniveau 2 als het basisonderwijs is voltooid (in Nederland of in het buitenland) en er eventueel enkele jaren (klassen) vervolgonderwijs zijn. Uit de diplomaregistratie blijkt dat appellante het basisonderwijs heeft voltooid. Op juiste gronden zijn dan ook op basis van opleidingsniveau 2 functies geselecteerd. Voor het ter zitting ingenomen standpunt dat appellante niet in staat is om schriftelijke en mondelinge instructies op te volgen vanwege de taalbarrière, wordt met verwijzing naar de uitspraak van 13 juli 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX1509), overwogen dat de geselecteerde functies eenvoudige productiematige functies zijn, die een persoon met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans geacht wordt te kunnen vervullen. Er is geen reden om aan te nemen dat dit voor appellante niet geldt. Verder valt niet in te zien dat appellante niet in staat kan worden geacht om een interne opleiding voor een soldeercertificaat te volgen. Deze beroepsgronden slagen dan ook niet.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) E.D. de Jong