Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2075

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
19/302 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:9948, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WGA-vervolguitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 302 WIA

Datum uitspraak: 2 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 december 2018, 18/2173 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Hüsen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, door middel van videobellen plaatsgevonden op 12 augustus 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordiger door mr. Hüsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als voorlichtster en begeleidster voor 36 uur per week. Op 28 november 2011 heeft zij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten. Later zijn daar psychische klachten bijgekomen. Na afloop van de − in verband met een opgelegde loonsanctie verlengde − wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 2 december 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 55,12% en het einde van de loongerelateerde periode op 1 augustus 2017. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 2 augustus 2017 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 55 tot 65%.

1.2.

In verband met een herbeoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 juni 2017. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 12 juli 2017 de WGA-vervolguitkering van appellante met ingang van 13 september 2017 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 maart 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 februari 2018 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is de medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig tot stand gekomen en kunnen de daarin beschreven bevindingen de conclusies dragen. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Met de door appellante in beroep genoemde klachten is voldoende rekening gehouden bij het opstellen van de FML. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

27 februari 2018, waarbij hij de tot dan toe beschikbare medische informatie afkomstig van de behandelaars van appellante heeft meegewogen, gemotiveerd en overtuigend inzichtelijk te kennen heeft gegeven dat er geen aanleiding is de FML te wijzigen. Hij heeft daarbij gemotiveerd dat de aanvankelijk van toepassing zijnde urenbeperking in verband met het volgen van therapie, zoals door de primaire arts in haar rapport van 21 oktober 2014 is vastgesteld, op de datum in geding niet langer van toepassing was aangezien er geen sprake meer was van intensieve en/of tijdrovende therapie. Ten aanzien van de bij brief van 17 november 2018 overgelegde medische stukken heeft de rechtbank vastgesteld dat deze met name zien op een periode na de datum in geding en dat uit deze stukken niet gedestilleerd kan worden dat op de datum in geding sprake was van een intensieve en/of tijdrovende therapie die een urenbeperking rechtvaardigt. Ook heeft appellante met deze medische stukken niet onderbouwd dat haar medische situatie op de datum in geding juist verergerd was ten opzichte van de eerdere verzekeringsgeneeskundige beoordeling in 2014. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante correct heeft vastgesteld. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijden, zodat deze functies voor appellante geschikt zijn. Gelet hierop bedroeg het verlies aan verdienvermogen minder dan 35%.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank redelijkerwijs niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat zij niet met behulp van medische stukken heeft onderbouwd dat het verzekeringsgeneeskundige oordeel onvoldoende zorgvuldig was. Zij heeft daarbij gewezen op de brief van [BV] van 25 september 2017, met betrekking tot een op 12 december 2017 startend revalidatietraject. Appellante heeft tevens aangevoerd dat het Uwv haar medische beperkingen heeft onderschat en met name betoogd dat een urenbeperking was aangewezen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en er daarbij op gewezen dat de brief van [BV] ook al in bezwaar is overgelegd, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding heeft gegeven om een ander standpunt in te nemen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 13 september 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-vervolguitkering van appellante heeft beëindigd.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Voor het oordeel dat naar aanleiding van de brief van [BV] van

25 september 2017 aanvullende informatie bij behandelaars van appellante had moeten worden opgevraagd bestaat geen aanleiding. Deze brief is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar bij de heroverweging in bezwaar betrokken en uit de brief blijkt dat op de datum in geding geen sprake was van een therapie of behandeling vanwege de pijnklachten van appellante bij [BV] . Uit de vlak voor de zitting in hoger beroep ingediende brief van Bavo Europoort van 31 juli 2018 blijkt dat appellante op de wachtlijst voor traumabehandeling bij PsyQ staat en dat zij ter overbrugging vanaf maart 2018 in behandeling is bij Bavo Europoort. Van een behandeling vanwege de psychische klachten van appellante was op de datum in geding dus evenmin sprake.

4.4.

Evenmin bestaat reden tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft ter zitting erkend dat ten tijde van de herbeoordeling geen sprake meer was van intensieve tijdrovende behandeling of therapie en dat op de datum in geding niet langer een indicatie bestond voor een urenbeperking in verband met verminderde beschikbaarheid. Voor het eerst ter zitting ingenomen standpunt dat een urenbeperking was aangewezen uit preventief of energetisch oogpunt bestaat geen grond. De primaire arts heeft in haar rapport van 22 juni 2017 op navolgbare wijze gemotiveerd dat hiervoor op basis van de medische informatie in het dossier en de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid geen aanleiding bestond en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit standpunt in zijn rapport van 27 februari 2018, met inachtneming van de in bezwaar verkregen informatie van de behandelend sector en de eigen bevindingen, onderschreven. Appellante heeft haar standpunt in hoger beroep niet medisch onderbouwd. De rechtbank wordt daarom tevens gevolgd in haar oordeel dat het Uwv afdoende heeft gemotiveerd dat appellante op de datum in geding beperkt was overeenkomstig de FML van 23 juni 2017.

4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat voldoende is gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante niet overschrijdt.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst wordt het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) C.M. van de Ven