Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
18/3558 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende deugdelijke medische grondslag bestreden besluit. Het Uwv dient opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2017, waarbij de beperkingen van appellant in de rubrieken I (persoonlijk functioneren), II (sociaal functioneren) en VI (werktijden) volledig overeenkomstig de FML van Wynhoven dienen te worden overgenomen. Daarna zal een nieuwe arbeidskundige beoordeling dienen plaats te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3558 WIA

Datum uitspraak: 2 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

25 mei 2018, 17/4860 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.J. van de Griend hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als buschauffeur voor ongeveer 40 uur per week. Op 24 februari 2015 heeft appellant zich ziek gemeld met psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 februari 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 16 februari 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 21 februari 2017 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 14 juli 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 21 juni 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 3 juli 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

Naar aanleiding van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 15 november 2017 een gewijzigde FML opgesteld waarin beperkingen zijn toegevoegd in verband met de knieklachten. In een rapport van 16 november 2017 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vastgesteld op minder dan 35%.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden is om de medische beoordeling onjuist te achten. Uit de brief van de huisarts van 20 oktober 2017 kan niet worden afgeleid dat appellant in verband met zijn knieklachten verdergaand beperkt had moeten worden geacht dan is vastgelegd in de FML van 15 november 2017. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 april 2018 voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom geen beperkingen zijn aangenomen op de beoordelingspunten 1.9.5 (voorspelbare werksituatie), 1.9.9 (werk zonder verhoogd persoonlijk risico), 2.9 (samenwerken) en 2.12.1 (weinig of geen rechtstreeks contact met klanten). De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de belasting in de door het Uwv geselecteerde functies de mogelijkheden van appellant niet overschrijdt. Het standpunt van appellant dat de functies binnen SBC-code 111180 (productiemedewerker industrie) niet passend zijn omdat gewerkt moet worden in een drukke en lawaaiige omgeving, heeft de rechtbank niet gevolgd. In het rapport van 15 januari 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat deze functies passend zijn omdat in de FML geen beperking is opgenomen betreffende blootstelling aan prikkels en uit informatie van de arbeidskundig analist blijkt dat de werkomgeving door de werkgever bewust rustig en prikkelarm wordt gehouden. Omdat pas in beroep een volledige onderbouwing is gegeven voor de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant en het Uwv opgedragen het griffierecht in beroep aan appellant te vergoeden.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig was en dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld in de FML van 15 november 2017. Hij is van mening dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen in het persoonlijk- en sociaal functioneren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant rapporten overgelegd van medisch adviseur/verzekeringsarts G.J. van Wettum (Van Wettum) van 29 juni 2018 en 30 oktober 2018. Van Wettum heeft in deze rapporten gesteld dat de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende hebben doorgevraagd naar de psychische klachten. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd waarom er, gelet op de bevindingen van psychiater P. Jong-Baw (Jong-Baw), geen verdergaande beperkingen zijn vastgesteld. Wat betreft de door het Uwv geselecteerde functies heeft appellant aangevoerd dat de functie binnen SBC-code 111180 (productiemedewerker industrie) niet passend is gelet op de werkomgeving en omdat daarin teveel prikkels voorkomen.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 oktober 2018 en 15 januari 2019, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 21 februari 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is zorgvuldig verricht. Niet valt in te zien dat verder had moeten worden doorgevraagd naar de psychische klachten. De primaire arts heeft appellant op zijn spreekuur gezien en hem psychisch onderzocht. Bovendien heeft hij de in het dossier aanwezige informatie van de huisarts, PsyQ en de bedrijfsarts en het rapport van Ergatis van 10 oktober 2016 inzichtelijk in de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en de hoorzitting bijgewoond. Gelet hierop is er geen reden om aan te nemen dat de artsen niet over voldoende informatie over de psychische klachten beschikten om de beperkingen van appellant vast te kunnen stellen.

4.4.1.

Anders dan door de rechtbank wordt geoordeeld dat het bestreden besluit op een onvoldoende deugdelijke medische grondslag berust. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.2.

Wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet overtuigend gemotiveerd waarom de beperkingen die op 10 oktober 2016 zijn vastgesteld door verzekeringsarts L.M.L. Wynhoven (Wynhoven) van Ergatis niet volledig zijn overgenomen in de FML van 15 november 2017. Het enkele feit dat het onderzoek door Ergatis is uitgevoerd in het kader van de Wet verbetering poortwachter en niet in het kader van de Wet WIA, is daartoe onvoldoende. Van belang is dat aan de FML van 10 oktober 2016 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een onderzoek door psychiater Jong-Baw ten grondslag ligt. Niet is gebleken dat deze onderzoeken niet zorgvuldig zijn verricht of dat daarbij andere uitgangspunten zijn gehanteerd dan die gelden bij een beoordeling in het kader van de Wet WIA. Verder is van belang dat de door Wynhoven vastgestelde beperkingen voldoende worden onderbouwd door de bevindingen bij deze onderzoeken, namelijk (samengevat) dat appellant beperkt is ten aanzien van stressbelasting, behoefte heeft aan structuur, regelmaat en voldoende slaap en dat hij niet moet worden blootgesteld aan (grote) veranderingen of situaties met een overmaat aan prikkels. De stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat met de vastgestelde beperkingen in het persoonlijk- en sociaal functioneren in de FML van 15 november 2017 reeds voldoende rekening is gehouden met de bevindingen van Jong-Baw, overtuigt niet.

4.4.3.

De beschikbare gedingstukken geven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de fysieke belastbaarheid van appellant.

4.5.

Uit wat in 4.4 is overwogen, volgt dat appellant kan worden gevolgd in zijn conclusie dat de medische grondslag van het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het Uwv dient opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2017, waarbij de beperkingen van appellant in de rubrieken I (persoonlijk functioneren), II (sociaal functioneren) en VI (werktijden) volledig overeenkomstig de FML van Wynhoven (zie pagina 12 en 13 van haar rapport van 10 oktober 2016) dienen te worden overgenomen. Daarna zal een nieuwe arbeidskundige beoordeling dienen plaats te vinden.

4.6.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 525,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 525,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.E. König