Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
18/3198 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 77,86%. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het bestreden besluit berust op een deugdelijk medische grondslag. Uitgaande van de juistheid van de FML van 2 oktober 2017 wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0763
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3198 WIA

Datum uitspraak: 2 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2018, 17/6690 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , België (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meulenberg-ten Hoor. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als tandarts voor 10,34 uur per week. Op 1 juli 2015 heeft appellant zich ziekgemeld na een fietsongeval. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 april 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 10 mei 2017 heeft het Uwv appellant met ingang van 28 juni 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat hij met ingang van die datum 72,86% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Bij besluit van 10 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 mei 2017 gegrond verklaard. De arbeidsongeschiktheid van appellant is in bezwaar vastgesteld op 77,86%. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering wijzigt daarmee niet, maar de hoogte van de resterende verdiencapaciteit wel. Aan het bestreden besluit liggen een rapport van 2 oktober 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een FML van 2 oktober 2017, en een rapport van 5 oktober 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is uitgevoerd en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. Appellant heeft in beroep geen nieuwe objectieve medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv aanwezig zijn geacht. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De beroepsgrond dat de functies niet voor appellant geschikt zijn, slaagt niet. De door appellant aangehaalde rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kan geen gewicht in de schaal leggen, nu deze ziet op situaties waarin het opleidingsniveau niet te hoog, maar juist te laag was. Deze rechtspraak kan alleen al om deze reden niet dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat functies op een lager niveau niet geschikt zijn. Volgens rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4113) maakt een hoger opleidingsniveau van de betrokkene niet dat geselecteerde functies met een lager opleidingsniveau voor hem niet passend zijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat voor de geselecteerde functies geen specifieke opleidings- en ervaringseisen zijn gesteld waarover appellant zou moeten beschikken. Het bestreden besluit berust daarom ook op een deugdelijke arbeidskundige grondslag, aldus de rechtbank.

3.1.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij heeft als gevolg van het zeer ernstige fietsongeval fysieke beperkingen aan zijn hoofd, nek, rechterschouder, heeft arm- en handklachten, drie “dove vingers” aan de rechterhand, veelvuldig hoofdpijn en pijn tussen de wervelkolom en de rechterschouder. Hij is vaak duizelig en heeft problemen met het vasthouden van de aandacht en concentratie. Ook is de reeds aanwezige tinnitus toegenomen. Verder heeft hij veel (psychische) klachten als gevolg van de verwerking van het ongeval, waarvoor hij ook behandeling heeft gezocht bij Artec Plus. Behandeling heeft nog niet tot een gewenst resultaat geleid. Appellant heeft last van herbelevingen en kan alles nog geen plek geven. Hoewel er geen cognitieve stoornissen zijn geobjectiveerd tijdens een neurologisch onderzoek in februari 2017, blijkt daaruit wel dat sprake is van wisselende prestatie op geheugentaken, die kan worden toegeschreven aan de stemmingsproblematiek in combinatie met de forse somatische klachten. Uit alle medische informatie blijkt daarnaast dat appellant een hoog frustratieniveau heeft met veel stress en moeite met het reguleren van zijn emotie. Appellant meent daarom (meer) beperkt te zijn op de items 1.1, 1.2, 1.3, 1.7, 1.9, 2.6, 2.8, 2.12, 4.3, 4.9, 4.11, 4.12, 4.19, 5.4 en 5.7 van de FML. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief ingebracht van Adelante (audiologie & communicatie) van 17 juni 2019, een orthopedische expertise van 14 augustus 2019 en een neurologische expertise van eveneens 14 augustus 2019. Volgens appellant heeft het Uwv de impact van het ongeval op de psyche van appellant ernstig onderschat. Appellant is het verder oneens met het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de beperkingen niet duurzaam zijn.

3.1.2.

Appellant heeft daarnaast zijn standpunt herhaald dat de geduide functies voor hem niet geschikt zijn. Appellant heeft gemotiveerd aangevoerd dat hij niet voldoet aan de diploma- en (werk)ervaringseisen die gelden voor de geduide functies. Ter nadere onderbouwing van dit standpunt heeft hij de tekst van een vacature voor de functie van arbeidsdeskundige ingebracht en de afwijzing na zijn sollicitatie naar deze functie. Ook stelt appellant dat de functies niet geschikt zijn vanwege de beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren en vanwege zijn tinnitus en slechthorendheid.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 februari 2020 en 30 maart 2020, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 28 juni 2017 heeft vastgesteld op 77,86%.

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijk medische grondslag. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.

De primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben vastgesteld dat bij appellant fysieke klachten resteren na het ongeval. Bij onderzoek zijn afwijkingen gevonden aan de nek, rechterschouder en rechterhand. Er is in de FML rekening gehouden met verminderde belastbaarheid van zowel rug, schouders als nek. Op grond daarvan zijn er verscheidene beperkingen aangenomen in de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen in de FML. Over de fijne motoriek heeft de primaire verzekeringsarts vermeld dat op basis van de voorliggende gegevens en het (lichamelijk) onderzoek niet kan worden bevestigd dat deze gestoord is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de pols en hand rechts onderzocht en geconstateerd dat er volledige knijpkracht van hand en vingers was en dat alle hand- en vingergrepen zonder problemen mogelijk waren. Er zijn daarom geen beperkingen aangenomen voor hand- en vingergebruik. Verder heeft de primaire verzekeringsarts nog het gebruik van een gehoorapparaat vermeld, waarmee appellant goed functioneert.

4.5.

Appellant heeft in hoger beroep geen gegevens ingebracht die twijfel doen ontstaan aan de conclusie dat met de in de FML opgenomen beperkingen voldoende rekening is gehouden met de lichamelijke klachten van appellant. De omstandigheid dat appellant in 2015 onbetwist een zeer ernstig ongeval heeft doorgemaakt met zwaar letsel ten gevolge, is niet voldoende voor het oordeel dat daarom de beperkingen van appellant op de datum in geding, 28 juni 2017, zijn onderschat. Uit het dossier blijkt dat de medische informatie over het ongeval uit 2015 bij de beoordeling is betrokken. De in hoger beroep ingebrachte orthopedische en neurologische expertises geven geen aanleiding voor een ander oordeel, nu deze onderzoeken zijn verricht in januari 2019, ruim na de datum in geding. Voor de informatie over de tinnitus in de brief van Adelante van 17 juni 2019 geldt eveneens dat hieruit niet blijkt dat deze ook op datum in geding zodanig aanwezig was dat daarvoor beperkingen hadden moeten worden aangenomen. In de brief van Adelante van 24 januari 2019, die appellant bij de neurologische expertise heeft ingebracht, staat verder dat appellant al sinds 2013 gehoorverlies heeft en dat dit niet erger is geworden na het ongeval.

4.6.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast in zijn rapporten van 2 oktober 2017 en 18 februari 2020 (nader) toegelicht waarom de psychische klachten en de gestelde cognitieve klachten van appellant niet leiden tot het aannemen van beperkingen in de rubrieken 1 en 2 van de FML. Uit het rapport van het neuropsychologisch onderzoek van 24 februari 2017 blijkt dat er geen afwijkingen zijn gevonden op cognitief gebied. De prestaties op geheugentaken zijn volgens de onderzoeker allen van een gemiddeld niveau en het lage resultaat op een taak betreffende volgehouden aandacht was volgens de onderzoeker niet valide wegens de grote invloed van de somatische klachten op de uitvoering van de taak tijdens het onderzoek. Daarbij komt dat tijdens van het spreekuur van de primaire verzekeringsarts en tijdens de hoorzitting in bezwaar geen afwijkingen in volgehouden aandacht zijn geobjectiveerd. Op het item handelingstempo wordt geen beperking aangenomen, omdat dit punt is bedoeld om een permanent en aanzienlijke vertraging van het algehele handelen in het dagelijks leven te karakteriseren. Dit is over het algemeen aan de orde bij ernstige psychiatrische problematiek of fors fysiek lijden, welke ziektebeelden bij appellant niet aan de orde zijn. Daarnaast blijkt uit het dagelijkse activiteitenniveau en het dagverhaal van appellant ook niet van permanente en aanzienlijke vertraging van het algehele handelen. Verder uiten de psychische klachten zich, gezien de mate van activiteiten, de zelfredzaamheid en het dagverhaal, niet dusdanig in het functioneren dat er beperkingen in arbeid zijn. Appellant functioneert in het dagelijks leven in grote mate zelfstandig, is in staat zijn huishouden zo goed als zelfstandig te organiseren en onderneemt zelfstandig diverse activiteiten, zonder dat hij daarbij gehinderd wordt door bijvoorbeeld emotionele problemen van anderen of door een probleem in de conflicthantering. Het onderliggend medisch beeld geeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook geen aanleiding tot aanvullende beperkingen op deze punten. Bij de intake bij psycholoog drs. R.C.P.D. Stikvoort werd in 2016 nog wel gesproken over PTSS, waarvoor EMDR werd ingezet, maar in de vervolgrapportage van 2017 wordt alleen nog gesproken over ongevalsgerelateerde stress. Er wordt niet gesproken over een daadwerkelijke stoornis in de emotieregulatie of anderszins een verklarende stoornis die de geclaimde beperkingen zou kunnen onderbouwen.

4.7.

Met deze toelichting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant functioneert onder de ondergrens van de CBBS definities van persoonlijk en sociaal functioneren. Dat sprake is van veel (ongevalsgerelateerde) stress en een hoog frustratieniveau heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling betrokken.

4.8.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 2 oktober 2017 wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. De door de rechtbank daaraan ten grondslag liggende overwegingen, onder 2. weergegeven, worden onderschreven. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.

4.9.

Anders dan appellant stelt, geldt voor de geselecteerde functies geen strikte diploma-eis, zoals bedoeld in de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2017, (ECLI:NL:CRVB:2017:3762), naar welke uitspraak appellant heeft verwezen. Voor de geselecteerde functies wordt ofwel een HBO- of HBO-bachelor diploma vereist ofwel een diploma op MBO niveau 3 of MBO niveau 4. De bij de functie van studentendecaan genoemde voorkeur voor een agogische richting, is geen vereiste. Dat geldt ook voor de vermelding dat de betrokkene in staat moet zijn tot het volgen van een interne opleiding of behalen van een specifiek diploma. In onderwijskundig opzicht is de door appellant bij zijn WO-diploma opgedane kennis ten minste gelijk aan die welke benodigd is voor het behalen van een HBO-diploma. De door appellant ingebrachte vacaturetekst geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verder in zijn rapport van 5 oktober 2017 voldoende gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht tot het volgen van de vereiste bijscholingscursussen en interne opleidingen en dat hij ook voldoet aan de gestelde ervaringseisen.

4.10.

Omdat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat er bij appellant geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid, kunnen de gronden van appellant over de duurzaamheid van de beperkingen onbesproken blijven.

4.11.

Uit 4.2 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) C.M. van de Ven