Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2063

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
17/613 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA‑loonaanvullingsuitkering. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die op grond van de bevindingen en overwegingen van de klinisch psycholoog en de deskundige geconcludeerd heeft dat appellante volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is, kan niet voor onjuist worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 613 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2016, 16/2219 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 september 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Kort-Schenk hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kort-Schenk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmaal.

De Raad heeft het onderzoek heropend en heeft psychiater drs. J. Blank-Contant benoemd als deskundige en haar verzocht te rapporteren. De deskundige heeft op 25 oktober 2019 rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft een zienswijze op dit rapport ingediend. De deskundige heeft desgevraagd op 12 februari 2020 een nader rapport uitgebracht.

Naar aanleiding van dit rapport heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar van 10 maart 2020 ingezonden.

Appellante heeft gereageerd op dit besluit.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als pedagogisch medewerker voor 36 uur per week. Zij heeft zich op 29 januari 2013 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellante per 27 maart 2015 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 57,12%.

1.2.

Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering van appellante per 30 januari 2016 omgezet in een WGA-vervolguitkering. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 4 maart 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 oktober 2015 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 58,38%. Dit berust op het standpunt van de verzekeringsartsen dat er bij appellante sprake is van een depressieve stoornis, recidiverend ernstig, zonder psychotische kenmerken en rugklachten bij foramenstenose. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat uit een brief van psychiater F.P.J. Derks van 22 februari 2016 niet geconcludeerd kan worden dat in het geval van appellante geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM). De beperkingen van appellante zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 december 2015. De arbeidsdeskundigen hebben appellante met haar beperkingen in staat geacht tot het verrichten van de geselecteerde voorbeeldfuncties van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) met SBC-code 111180, machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) met SBC-code 264122 en samensteller kunststof- en rubberproducten met SBC-code 271130.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien tot twijfel aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen en in het standpunt van de verzekeringsartsen dat in het geval van appellante geen sprake is van GBM. Ook heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 onderschreven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij lijdt aan een ernstige depressie met psychotische kenmerken en dat zij psychisch niet zelfredzaam is. Zij vindt steun voor dit standpunt in de door haar in beroep ingebrachte informatie van haar behandelaar, psycholoog R. Schrameijer, van 8 september 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte meer waarde gehecht aan de in bezwaar door haar opgevraagde informatie bij psychiater Derk. Deze psychiater heeft appellante, in tegenstelling tot haar behandelaar, nooit gezien. Appellante heeft verder herhaald dat zij ook lichamelijke klachten heeft en chronische pijn door een hernia. Vanwege haar medicatiegebruik (gele stickermedicatie) acht appellante zich ongeschikt voor het bedienen van machines en het deelnemen van het verkeer. De door het Uwv geselecteerde productiefuncties zijn om deze reden niet passend.

3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 maart 2017, waarbij de FML is aangescherpt ten aanzien van persoonlijk risico, en een rapport van diezelfde arts van 12 juli 2017, alsmede rapporten van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 maart 2017 en 17 juli 2017 bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.

Omdat is gebleken dat partijen verdeeld blijven over de vertaling van de psychische klachten in beperkingen in de FML en de beoordeling of appellante zelfredzaam is, heeft de Raad psychiater drs. J. Blank-Contant als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 25 oktober 2019 gerapporteerd, waarbij verwezen is naar de conclusies van een in opdracht van de deskundige verricht persoonlijkheidsonderzoek door klinisch psycholoog M.C. Hack. De deskundige is tot conclusie gekomen dat bij appellante sprake is van een depressieve stoornis, ernstig zonder psychotische kenmerken en andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. De deskundige heeft gerapporteerd zich niet geheel te kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgelegde beperkingen in de FML van 17 maart 2017. Zij heeft appellante aanvullend beperkt geacht voor concentratie van de aandacht en herinneren. De deskundige heeft verder uiteengezet dat zij appellante vanuit strikt psychiatrisch perspectief niet inzetbaar acht voor arbeid.

3.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de deskundige gevolgd in haar conclusies dat de FML van 17 maart 2017 aanpassing behoeft in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, maar niet in het standpunt dat appellante te beperkt is voor arbeid.

3.5.

Naar aanleiding van het nader rapport van de deskundige van 12 februari 2020, waarin de deskundige heeft toegelicht dat appellante op de datum in geding een groot deel van de dag bedlegerig en/of passief was in haar gedrag, wat voor een belangrijk deel te wijten was aan het psychiatrisch beeld en versterkt werd door haar chronische rugklachten, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellante op de datum in geding niet belastbaar was voor arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van de bevindingen van klinisch psycholoog Hack en de door haar gegeven prognose voor herstel van de stoornis en re-integratie het standpunt ingenomen dat de beperkingen van appellante niet duurzaam zijn en verbetering van de belastbaarheid nog mogelijk is als de behandeling gevolgd wordt die door de psycholoog geadviseerd wordt. Als de depressie gedeeltelijk of volledig in remissie is dan zijn de beperkingen gedeeltelijk of niet meer aanwezig en kan er gedacht worden aan re-integratie. Dit betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook dat indien de depressie slechts gedeeltelijk in remissie is, de beperkingen zodanig zijn afgenomen dat appellante belastbaar is. Het Uwv heeft bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 10 maart 2020 (bestreden besluit 2) aan appellante met ingang van 30 juni 2016 WGA‑loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.

3.6.

Appellante heeft in reactie op bestreden besluit 2 gesteld dat zij op 30 juni 2016 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Zij stelt dat zij op de datum in geding recht heeft op een IVA-uitkering. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat ook de praktijk, de huidige situatie vier jaar na de datum in geding, blijk geeft van de duurzaamheid van de beperkingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond heeft verklaard, niet in stand kan blijven. De Raad zal zowel de aangevallen uitspraak als bestreden besluit 1 vernietigen.

4.2.

Met bestreden besluit 2 is het Uwv niet volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante. Op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb heeft het hoger beroep dan ook mede betrekking op bestreden besluit 2.

4.3.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. Er is een uitgebreide anamnese afgenomen. Alle beschikbare gegevens van de behandelaars van appellante alsook de informatie van de artsen van het Uwv zijn door de deskundige kenbaar bij haar beoordeling betrokken.

4.5.

Uit het persoonlijkheidsonderzoek door klinisch psycholoog Hack, welk onderzoek is verricht in aanvulling op het psychiatrisch onderzoek door de deskundige en in samenhang met het rapport van de psychiatrische expertise bekeken moet worden, blijkt dat Hack zich op verzoek van de deskundige heeft uitgelaten over de behandelingen en over de prognose voor herstel van de stoornis en re-integratie. Hack heeft te kennen gegevens dat zij niet kan beoordelen of de door appellante bij Mentrum doorlopen behandeling voldoende adequaat is geweest, maar dat zij het advies dat appellante recent kreeg om zich klinisch te laten opnemen en een ECT behandeling te ondergaan, gegeven de situatie, een zeer adequaat advies vindt. Niets doen is een recept voor verdere achteruitgang van het toestandsbeeld. Hack heeft verder toegelicht dat wanneer de depressie in remissie is, gedacht kan worden aan psychotherapeutische behandeling gericht op het behandelen van de persoonlijkheidsstoornis. Hiervoor is Schematherapie het meest geëigend. Verder moet de behandeling worden ondersteund door een psycho-somatisch fysiotherapeut die samen met appellante kan werken aan mobiliteits-en conditieverbetering. Ten aanzien van de prognose voor herstel en re‑integratie heeft Hack overwogen dat bekend is dat ECT in meer dan de helft van de gevallen een positief effect heeft. Het probleem is echter vaak om het positieve effect te behouden. Omdat appellante afwijzend staat tegenover behandeling moet er veel energie gestoken worden gestoken in het motiveren van appellante voor behandeling. Als de depressie in remissie komt, is er nog een lange weg te gaan om de persoonlijkheidsstoornis te behandelen, maar wanneer de depressie gedeeltelijk of volledig in remissie is, kan gedacht worden aan re-integratie in arbeid. Bij de keuze voor het werk, moet rekening gehouden worden met de onderliggende kwetsbaarheid van appellante.

4.6.

Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die op grond van de bevindingen en overwegingen en overwegingen van Heck en de deskundige geconcludeerd heeft dat appellante volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is, kan niet voor onjuist worden gehouden.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 niet slaagt.

5. Gelet op 4.1 is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en op € 1.575,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.625,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 maart 2016 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 maart 2020 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.625,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 170,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) L.E. König