Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
18/1330 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van de feiten kan niet gezegd worden dat sprake was van duurzaam gescheiden leven in de zin van de AOW. De Svb was gehouden het ouderdomspensioen van ieder van hen te herzien naar de norm van een gehuwde pensioengerechtigde. Door de herziening van hun ouderdomspensioen te laten ingaan per toekomende datum, heeft de Svb op juiste wijze toepassing gegeven aan zijn beleid en het rechtszekerheidsbeginsel voldoende in acht genomen. Geen dringende redenen waarom de Svb de herziening op een nog later moment had moeten laten ingaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1330 AOW, 18/1331 AOW

Datum uitspraak: 2 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

5 februari 2018, 17/2056, 17/2057 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

[appellante] te [woonplaats] (appellante, tezamen ook appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D.G.W. Radstaat hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020, via beeldbellen. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Radstaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten zijn op 31 oktober 1983 met elkaar gehuwd en wonen sinds 1 april 1999 niet meer samen. Aan appellant is per december 2009 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar een norm van een ongehuwde pensioengerechtigde. Aan appellante is dit per juli 2011 toegekend. De Svb heeft aangenomen dat appellanten duurzaam gescheiden van elkaar leven.

1.2.

In het kader van een onderzoek van de Svb bij AOW-gerechtigden die een pensioen ontvangen naar de norm van een alleenstaande omdat zij duurzaam gescheiden zouden leven van hun echtgenoot of echtgenote, zijn appellanten op hun verschillende adressen bezocht in 2016. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de Svb, bij afzonderlijke besluiten van 30 september 2016, aan appellanten gemeld dat zij vanaf 1 oktober 2016 ieder recht hebben op een AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde. De Svb is van mening dat er nooit sprake is geweest van duurzaam gescheiden leven. Het bezwaar tegen deze besluiten is, bij afzonderlijke beslissingen van 22 maart 2017 (bestreden besluiten), ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep bestrijden appellanten deze uitspraak ten aanzien van drie afzonderlijke onderwerpen, die ook al eerder in bezwaar en beroep waren aangevoerd. Deze zullen hieronder besproken worden.

Informed consent

3.1.1.

Appellanten zijn van mening dat zij niet volledig en juist zijn geïnformeerd over de reden en het doel van het huisbezoek, toen zij, ieder voor zich, de medewerkers van de Svb toestemming gaven hun woningen te betreden. Zij stellen dat zij geen juiste informatie hebben ontvangen over de mogelijke gevolgen voor de verdere verlening van de uitkering bij een weigering van de toestemming tot het betreden van hun huizen. Appellanten zijn van mening dat de zinsnede in het verslag van de huisbezoeken dat de medewerkers van de Svb “betrokkenen hadden meegedeeld wat de gevolgen waren bij een eventuele weigering” erop duidt dat zij onjuiste informatie hebben ontvangen. Deze passage wordt door hen zo gelezen dat hieruit volgt dat een weigering, anders dan vermeld in de brieven ter aankondiging van het huisbezoek, wel degelijk gevolgen zou hebben gehad voor hun pensioen.

3.1.2.

Appellanten kunnen hierin niet worden gevolgd. Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van de uitkering heeft of kan hebben. De bewijslast voor het “informed consent” bij het binnentreden in de woning rust op de Svb.

3.1.3.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten bij de schriftelijke aankondiging van de huisbezoeken informatie hierover hebben ontvangen. Hieruit zijn appellanten op de hoogte gesteld van de reden van de huisbezoeken, namelijk een onderzoek naar de vraag of er inderdaad bij hen sprake was van duurzaam gescheiden leven. Ook is aan appellanten gemeld dat een weigering van een huisbezoek geen directe consequenties zal hebben voor de uitkering, maar voor de Svb wel aanleiding kan zijn voor nader onderzoek. Bij het verslag van de huisbezoeken bevinden zich door appellanten ondertekende Verklaringen omtrent huisbezoek. Hierin is aangekruist dat appellanten begrijpen dat een weigering tot het toelaten van de medewerkers van de Svb tot hun woningen geen directe gevolgen zal hebben voor hun recht op pensioen of uitkering van de Svb. In het verslag van de huisbezoeken staat, onder verwijzing naar de Verklaring omtrent huisbezoek, vermeld dat de medewerkers van de Svb zich hebben gelegitimeerd, de reden en het doel van het huisbezoek hebben uitgelegd en hebben meegedeeld wat de gevolgen waren bij een eventuele weigering. Hierna hebben de bewoners de medewerkers toestemming gegeven hun woning te betreden en hebben appellanten ieder voor zich informatie verstrekt over hun woon- en leefsituatie, in verhouding tot elkaar.

3.1.4.

Ter zitting heeft appellante gesteld dat zij, door een telefonisch contact met de Svb, in de veronderstelling verkeerde dat zij bezocht zou worden in verband met het invullen van een enquête. Wat hier verder ook van zij, tijdens het bezoek heeft appellante de vragen met betrekking tot het Onderzoek DGL beantwoord en het formulier, waarop staat dat zij begreep dat het onderzoek betrekking had op de vraag of er sprake was van duurzaam gescheiden leven, ondertekend.

3.1.5.

Uit deze gegevens en informatie kan niet geconcludeerd worden dat aan de bevindingen van de huisbezoeken op geen enkel moment enige consequenties verbonden zouden kunnen worden. Evenmin kan gezegd worden dat de Svb appellanten niet juist en volledig heeft ingelicht over het doel en mogelijke gevolgen van het huisbezoek en het verdere onderzoek.

Duurzaam gescheiden leven

3.2.1.

Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

3.2.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten pas sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden. Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om duurzaam gescheiden leven aan te nemen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932) kan de echtelijke samenleving bestaan zonder dat van samenwonen sprake is.

3.2.3.

De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet langer of niet opnieuw is verbroken, zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven niet relevant (vergelijk de uitspraken van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093).

3.2.4.

Uit het verslag van de huisbezoeken en de door appellanten ingevulde en ondertekende formulieren Onderzoek DGL blijkt onder andere dat appellanten een sleutel van elkaars woning hebben. Ook bezocht appellant elke zaterdag de woning van appellante om zijn zoon te bezoeken die daar destijds woonachtig was. Appellant vierden jaarlijks samen Kerst en de jaarwisseling. Zij hadden wekelijks telefonisch contact en maakten af en toe gezamenlijk wandelingen. Appellante had een werkruimte in de woning van appellant. Ter zitting is gebleken dat appellant, in ieder geval destijds, de helft van zijn maandelijkse koopsompolis uitkering aan appellante doorbetaalde en dat zij eveneens een gedeelte van zijn pensioen ontving. Aan de omstandigheid dat appellanten fiscaal partner zijn wordt in deze procedure geen gewicht gehecht, nu krachtens de fiscale regelgeving duurzaam gescheiden leven niet in de weg staat aan fiscaal partnerschap.

3.2.5.

De reden waarom appellanten zijn gehuwd en de reden waarom zij de in 3.2.4 vermelde afspraken en keuzes hebben gemaakt, spelen bij de beoordeling geen rol. Het gaat om de blote feiten. Op grond van die feiten kan ten tijde hier van belang niet gezegd worden dat sprake was van duurzaam gescheiden leven in de zin van de AOW. Appellanten hadden derhalve geen recht op een ouderdomspensioen naar de norm van een ongehuwde pensioengerechtigde. De Svb was gehouden het ouderdomspensioen van ieder van hen te herzien naar de norm van een gehuwde pensioengerechtigde.

Afbouwregeling

3.3.1.

Tot slot stellen appellanten dat de Svb, indien de herziening van hun ouderdomspensioen stand zou houden, een afbouwregeling zou moeten hanteren. De bestreden besluiten dateren van 30 september 2016 en al de volgende dag ging de herziening in. Appellanten hebben nooit een reden gehad om aan te nemen dat hun pensioen onjuist was vastgesteld. Op dit punt overweegt de Raad als volgt.

3.3.2.

Uit artikel 17a, eerste lid, van de AOW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 17a, eerste lid, van de AOW is volgens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.

3.3.3.

De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarin rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledig terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend.

3.3.4.

In het geval van appellanten is de Svb terecht tot de conclusie gekomen dat geen sprake is (en nooit sprake is geweest) van duurzaam gescheiden leven in de zin van de AOW. Appellanten hebben dus eigenlijk tot 1 oktober 2016 een te hoog ouderdomspensioen ontvangen. De Svb heeft destijds, zonder nader onderzoek, aan appellanten een ongehuwdenpensioen toegekend. Aan appellanten kan geen verwijt worden gemaakt bij de, achteraf gezien onterechte, toekenning van dit ongehuwdenpensioen. Door de herziening van hun ouderdomspensioen te laten ingaan per toekomende datum, heeft de Svb op juiste wijze toepassing gegeven aan zijn beleid en het rechtszekerheidsbeginsel voldoende in acht genomen.

3.3.5.

Op grond van artikel 17a, tweede lid, van de AOW kan de Svb geheel of gedeeltelijk afzien van herziening als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het moet dan gaan om incidentele uitzonderingen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een herzieningsbesluit voor de betrokkene heeft (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6492). De door appellanten aangevoerde argumenten duiden niet op dringende redenen waarom de Svb de herziening op een nog later moment had moeten laten ingaan.

3.4.

Uit 3.1.1 tot en met 3.3.5 volgt dat de rechtbank terecht het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.

4. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van

L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) L.R. Daman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over duurzaam gescheiden leven.